Steeds weer bij het kijken naar werk van Johannes Vermeer, Gerard Terborgh, Pieter de Hoogh, rijzen vragen. Alles betekent wat, schijnt. Maar wat?
Volgende week ga ik bij Heidi de Mare langs om mijn vragen te stellen. 'Huiselijke taferelen' heet haar magnum opus, over 'de veranderende rol van het beeld in de Gouden eeuw'.
Wat was een huis? Wonen, zakendoen, liefde, hoe ging het toe? Ze combineert wat af te lezen is uit beelden met teksten en gegevens over kleding, bouwmateriaal, wat niet? De eerste huizen werden bewoond door Jozef en Maria met hun kind. Er was ook weleens een avondmaal of er kwam een aartsengel binnen.
Maar de heilige familie verdween. En het Hollandse binnenhuisje, als tempel van burgerlijke deugd of als bordeel werd steeds preciezer weergegeven. Zitten, staan, liggen, hoe deed je het? Alles had in dit ‘kamergezicht' betekenis. Hoe keek Jan Steen een kamer binnen? Vol ironie. Was dat nieuw?