Vanmiddag in het Singer Museum zag ik de expositie van 19de en 20ste-eeuwse schilderijen die 'Belgische schone' genoemd zijn. Merendeels afkomstig uit Gent. En vroeg me bij elk schilderij weer af 'Hoe Belgisch is het?'.
Een boeiend spel. Waarbij onvermijdelijk de vraag: 'Wat is dat dan, Belgisch?'
Schilders zijn bij veel ook speciale verslaggevers van hun tijd. Van stemmingen, van gelaatsuitdrukkingen, van wat schilderwaardig gevonden werd of eenvoudig mooi.
In Belgische kunst vind je zoveel andere accenten dan in Hollandse. De gezichten - dat is nog steeds zo - dragen een zeker bleekheid mee en hebben vaak een naar binnen gekeerde blik.
Gereserveerd, is het woord. De bij ons gekoesterde Hollandse 'openheid' geldt daar immers nog steeds als lomp.
Ik keek naar introverte vrouwengezichten. Gezichten die je net wel of net niet aankijken. Het verst gaat de beroemde Maria Magdalena van Alfred Stevens (1887), die niet voor niets een schedel in haar armen houdt. Dat moet wel die van haar gestorven vriend Jezus van Nazareth zijn. Maar zij is dan ook een heilige.
Van het katholieke, wat dat ook moge zijn, zijn de figuren doordesemd.
Wat of dat zou wezen? Ik hou het op een ons onbekende, woordloze berusting.