Aldo Rossi

 Renaissanceschilderijen verraden vaak dat de schilders tegelijk architect waren of hadden willen zijn. Ze schilderden op hun achtergronden zo graag landschappen met verzonnen steden en kastelen.

 De tekeningen van architecten geven hun bedoelingen vaak beter weer dan wat ze bouwen. Zoals je op schilderijen van elegant geklede vrouwen vaak beter kunt zien wat een costumier beoogde dan op foto’s uit die tijd. Immers, in werkelijkheid zijn de draagsters vaak zo plomp. Pas een schilder als Alfred Stevens liet zien wat de bedoeling was.

 Zo zijn de getekende ontwerpen van Aldo Rossi (1931-1997) meestal beter, leuker dan zijn bouwwerken. Ik ga morgen naar het Bonnefanten in Maastricht om allebei te zien.

 Rossi had een idee van steden. Hij tekende, ontwierp liever een stad dan losse gebouwen. Stadsmuren, als bescherming tegen vijand, weer en wind. Een organisch gegroeid geheel. Geen verweesde, loshangende bouwsels.

 Zijn tekeningen lijken ontstaan als die van Chirico of Klee, of Samuel van Hoogstraten, in harmonie met een bedachte, gebouwde omgeving.

 Zo kom je bij de onoplosbaarheid van het bouwen. Hoe de organisch gegroeide oude stad te benaderen in nieuwbouw? Niet zoals de Amsterdamse school met zijn historiserende poorten of de talrijke navolgers met hun Bofill-achtige neo-wrochtsels? Hoe oud en nieuw, planning en groei te verenigen?

 Naar Rossi in Maastricht.

Hoe Belgisch is het?

 Vanmiddag in het Singer Museum zag ik de expositie van 19de en 20ste-eeuwse schilderijen die 'Belgische schone' genoemd zijn. Merendeels afkomstig uit Gent. En vroeg me bij elk schilderij weer af 'Hoe Belgisch is het?'.

 Een boeiend spel. Waarbij onvermijdelijk de vraag: 'Wat is dat dan, Belgisch?'

 Schilders zijn bij veel ook speciale verslaggevers van hun tijd. Van stemmingen, van gelaatsuitdrukkingen, van wat schilderwaardig gevonden werd of eenvoudig mooi.

 In Belgische kunst vind je zoveel andere accenten dan in Hollandse. De gezichten - dat is nog steeds zo - dragen een zeker bleekheid mee en hebben vaak een naar binnen gekeerde blik.

 Gereserveerd, is het woord. De bij ons gekoesterde Hollandse 'openheid' geldt daar immers nog steeds als lomp.

 Ik keek naar introverte vrouwengezichten. Gezichten die je net wel of net niet aankijken. Het verst gaat de beroemde Maria Magdalena van Alfred Stevens (1887), die niet voor niets een schedel in haar armen houdt. Dat moet wel die van haar gestorven vriend Jezus van Nazareth zijn. Maar zij is dan ook een heilige. 

 Van het katholieke, wat dat ook moge zijn, zijn de figuren doordesemd.

 Wat of dat zou wezen? Ik hou het op een ons onbekende, woordloze berusting. 

Tags: