Iedereen kan prachtig zingen in zijn hoofd. Inspiratie! Maar zodra hij of zij z'n mond opendoet gaat het mis. Als in La Fontaines fabel van de vos en de raaf.
Af en toe, na het lezen van een bundel, al mompelend 'doe nou niet', gevolgd door wegleggen pak ik Ben Lerners The Hatred of Poetry (2016). Zo ontstaan planken weggelegde poëzie.
Waardoor gaat het steeds weer mis?
Lerner, die zelf dichter is: 'Je wordt er toe aangezet een gedicht te schrijven, te zingen, door die transcendente drijfveer. Maar zodra je gaat van die impuls naar het gedicht zelf, wordt het lied van het oneindige bedorven door de eindigheid van de vorm. In een droom kunnen je verzen de tijd verslaan, je woorden kunnen de geschiedenis van hun gebruik afschudden, maar als je wakker wordt, als je weer met je makkers om het vuur zit, ben je terug in de mensenwereld met z'n onbuigzame wetten en logica.'
'Dus de dichter is een tragische figuur. Het gedicht is altijd het verslag van een mislukking.'
Illustratie van Grandville, editie van 1668. De raaf heeft een stuk kaas in z'n bek. De vos brengt met vleierij de kraai bijna tot zingen, voor er een akelig gekras kan volgen is de kaas al gevallen.