Delphine en God

 Hij kan niet weg zijn. Ik heb het over de sleutel tot de gedichten van Delphine Lecompte. De gedichten zijn er, er moet een sleutel zijn om ze te openen. Dat ik die niet kan vinden ligt aan mij. Er is een samenhang, beslist. Dat duurt nu al een paar bundels. Ze doet het expres, dat kan niet anders. Ik denk, ze zoekt hem zelf ook. In de nieuwe bundel 'Weste­rn' kom ik God tegen, in het laatste deel 'Redemption'. Neem dit:

 'De wolken zijn God beu, ze schudden hem uit/ Nu moet hij zijn plan trekken en zijn boontjes doppen/ Op de aarde, de begane grond, arme God/ Ik zie hem in een antiekwinkel om 14u 's  middags/ Hij bekijkt een uitgeschraapte schildpad met de gepaste aandacht.

 Om 16u op de kop zie ik God opnieuw/ In een pizzeria deze keer, hij eet hypergeconcentreerd/ Hij laat niets liggen op zijn bord/ De muziek werkt op zijn zenuwen: Dolly Parton/ Ik probeer te zien wat hij drinkt, maar de beker is opaak en logoloos.

 God is stipt, om 18u koopt hij een pyjama/ In de nachtkledijwinkel van Marino Hazenlip/ Na de aankoop blijft God lang praten met Marino Hazenlip/ Ik ben niet jaloers, ik krijg mijn kans nog wel/ Om God de oren van het hoofd te zagen.

 Ik laat God binnen om 22u/ Hij is te laat; 20u was de afspraak/ Hij heeft rum gedronken met de dochter van Marino Hazenlip/ Nee, een hazenlip wordt niet altijd overgeerfd/ Ik vraag aan God of hij het erg vindt dat ik met een nachtbeugel slaap.

 Hij vindt het niet erg, hij snurkt/ Ik denk aan de uitgeschraapte schildpad van de antiekwinkel/ En daarna aan alle onuitgeschraapte schildpadden van de Antillen/ Ik maak God wakker, ik schud hem hardhandig door elkaar/ 'Waarom werkte de muziek in de pizzeria op je zenuwen?' wil ik nu toch weten.

 Maar God wil niet antwoorden/ Hij is mij niets verschuldigd, NIETS/ Zijn pyjama is sober en zijn tanden zijn kein, soberder en kleiner dan de mijne/ Ik val in slaap, ik droom dat ik word verslonden door Dolly Parton/ In mijn droom lijkt ze als twee druppels water op een hyena.'