Delphine Lecompte zijn

 Het is wennen, maar het lucht reusachtig op. Zoveel uitwegen, zoveel luchtgaten en aanvechtingen. Het begint al met hoe ik haar 'Dichter, bokser, koningsdochter' (2015) vond. In de uitverkoop van de bibliotheek op het Roelof Hartplein. Met op het schutblad een onontcijferbare handtekening onder het woord 'AFGESCHREVEN'. Delphine Lecompte uit Brugge kunnen zijn, al is het maar voor een middag, Lees maar waarom ik zo graag met haar speel, bijvoorbeeld 'Rits een wesp':

 'Ik kom mijn tweede redder tegen in de nachtwinkel/ Van de zwaarmoedige Liberiaan die altijd loenst/ En moeilijke boeken over gemakkelijke planeten leest/ Mijn tweede redder leest de Zweedse ingrediëntenlijst/ Van een pak puddingpoeder, hij lijkt teleurgesteld in de ingrediënten.

 Hij merkt dat ik hem aanstaar en zegt 'Je rits is kapot, het is niet erg/ Want ik ben een gerenommeerde de ritsenhersteller!'/ Mijn tweede redder koopt uiteindelijk toch het pak puddingpoeder,/ En ook nog een bokaal augurken, en een tube secondelijm/ Ik koop niets , maar ik steel zonder zelfverwijt een fles roséwijn.

 Buiten vraag ik aan mijn tweede redder: 'Is het ver naar de plaats/ Waar je gezwind en opgewekt ritsen herstelt omdat het je roeping was?'/ Hij antwoordt nors: 'Het was mijn roeping niet, mijn roeping was imker.'/ Het was niet ver na vijf minuten wandelen mag ik/ Mijn eerste ritsenparadijs betreden, zoals elk paradijs is ook dit paradijs onbeschrijflijk.

 Na de ritsherstelling bekijken we in de woonkamer van mijn tweede redder Casablanca/ De zon komt op en een wesp ontwaakt op de vensterbank/ Mijn tweede redder maakt pudding voor ons ontbijt/ We neuken zodat de pudding rap lauw wordt, het schijn te werken/ Helaas heeft de wesp dezelfde honger als ik , voor ik het besef heb ik hem verzwolgen.

 Mijn tweede redder haalt traag en koelbloedig een scalpel/ En een gifgroen rietje uit zijn ritsenparadijs/ Hij maakt een soort rits van mijn keel, bedenk ik mij al te sentimenteel/ Na de redding keer ik niet huiswaarts; ik ga naar het pompeuze Astridpark/ En luister naar de monarchiehatende monoloog van de meest tandrijke clochard van West-Europa.

Delphine en God

 Hij kan niet weg zijn. Ik heb het over de sleutel tot de gedichten van Delphine Lecompte. De gedichten zijn er, er moet een sleutel zijn om ze te openen. Dat ik die niet kan vinden ligt aan mij. Er is een samenhang, beslist. Dat duurt nu al een paar bundels. Ze doet het expres, dat kan niet anders. Ik denk, ze zoekt hem zelf ook. In de nieuwe bundel 'Weste­rn' kom ik God tegen, in het laatste deel 'Redemption'. Neem dit:

 'De wolken zijn God beu, ze schudden hem uit/ Nu moet hij zijn plan trekken en zijn boontjes doppen/ Op de aarde, de begane grond, arme God/ Ik zie hem in een antiekwinkel om 14u 's  middags/ Hij bekijkt een uitgeschraapte schildpad met de gepaste aandacht.

 Om 16u op de kop zie ik God opnieuw/ In een pizzeria deze keer, hij eet hypergeconcentreerd/ Hij laat niets liggen op zijn bord/ De muziek werkt op zijn zenuwen: Dolly Parton/ Ik probeer te zien wat hij drinkt, maar de beker is opaak en logoloos.

 God is stipt, om 18u koopt hij een pyjama/ In de nachtkledijwinkel van Marino Hazenlip/ Na de aankoop blijft God lang praten met Marino Hazenlip/ Ik ben niet jaloers, ik krijg mijn kans nog wel/ Om God de oren van het hoofd te zagen.

 Ik laat God binnen om 22u/ Hij is te laat; 20u was de afspraak/ Hij heeft rum gedronken met de dochter van Marino Hazenlip/ Nee, een hazenlip wordt niet altijd overgeerfd/ Ik vraag aan God of hij het erg vindt dat ik met een nachtbeugel slaap.

 Hij vindt het niet erg, hij snurkt/ Ik denk aan de uitgeschraapte schildpad van de antiekwinkel/ En daarna aan alle onuitgeschraapte schildpadden van de Antillen/ Ik maak God wakker, ik schud hem hardhandig door elkaar/ 'Waarom werkte de muziek in de pizzeria op je zenuwen?' wil ik nu toch weten.

 Maar God wil niet antwoorden/ Hij is mij niets verschuldigd, NIETS/ Zijn pyjama is sober en zijn tanden zijn kein, soberder en kleiner dan de mijne/ Ik val in slaap, ik droom dat ik word verslonden door Dolly Parton/ In mijn droom lijkt ze als twee druppels water op een hyena.' 

De besmettelijke Delphine Lecompte

 Iets of iemand gaat net de hoek om. Je vangt een glimp. Maar van wat of wie? Zo gaat Delphine Lecompte lezen. Haar nieuwe bundel 'Dichter, bokser, koningsdochter'. Delphine tart het brein van de lezer dat overal chocola van wil maken. Zijn eigen chocola. Niet de hare.

 Als die er al is. Ja, natuurlijk is die er. Regels en woorden werden onder de microscoop gelegd. Wat daar allemaal omgaat! Sporen van samenhang werden aangetroffen, zeker. Al was het maar de hare. Toch blijf ik mijn knopen tellen. Is ze me weer te vlug af, of gooit ze zomaar woorden in de lucht als meis­jesbal­len, zonder ze op te vangen. En mag ik ze rapen.

 Besmettelijk is ze zeker. Waag je in het labyrint, ontmoet de boompjeverwisselende personages als de oude kruisboogschutter, die haar muze is, de bevreesde zeepzieder, de incestueuze imker... Ik lees:

  Ik hoop dat niemand sterft vandaag/ Niemand die ik ken aan een hersenbloeding/ Of aan een bespottelijke verstikking in een marsepeinen misthoorn/ Op een verlaten parkeerterrein, vooral wij niet/ Ik hoop vooral dat wij blijven leven vand­aag.

  Jij verdient het om gezond te zijn, jij zit naast mij/ Op de trein en je leest zonder graagte mijn laatste gedicht/ Mijn laatste gedicht gaat over een goudsmid en een tegelzetter/ Die om het luidst hun zoons vervloeken in de buik van een walvis/ Ook ik duik op, in mijn laatste gedicht, maar ik bedaar de gemoederen niet.

  Eindelijk ben je klaar, je zegt: 'Het is meer een verhaal dan een gedicht.'/ (...)

Delphine Lecompte

 Je doet mee, aan een spel, had je deze dichtbundel maar niet moeten kopen. Maar welk? Bij Lecompte is het eind zoek. Zoeken zul je.

 Blindemannetje? Verstoppertje? Je doet mee, 159 pagina's lang in De Baldadige Walvis, haar nieuwe bundel ontsnappingskunst. Er moet toch een waarom zijn. Een iets. Een iemand. Waar woorden staan is immers betekenis. Maar wie is die vrouw in het zwart onder de kast? Lees de eerste strofen van 'Nuchter zelfportret met gestolen zaag':

 

 'Ik ben niet duister, ik denk aan gisteren

Gisteren heb ik een zaag gestolen van de sponzenverkoper

Dat is bijna alles, bijna alles wat ik verkeerd heb gedaan

Gisteren ben ik in een kerk geweest, alle Maria's leken op mijn vaders eerste fee

De eerste fee sprak hortend Russisch, de eerste fee gaf mij een vos.

 

Een vos toen ik tien werd, een diadeem een jaar later

Wat was ze rood en mooi, ze rook altijd naar lavendel

Met andere woorden: de eerste fee rook naar lavendel van zich­zelf,

Calvados van mijn vader, en lavendel van mijn vader.

 

Ik ben niet somber, ik plan vandaag

Vandaag zal ik een moeilijke hond adopteren

Vandaag zal ik een moeilijke hond met de zaag van de sponzen­verkoper

Doormidden snijden, en weer heel maken

Weer heel zal ik hem Tom noemen.

 

(...)'

 En zo verder. Om met Gerard Reve te spreken ‘Moedig voorwaarts’. Waaraan hij altijd toevoegde ‘Waarheen?’