In 2006 bracht ik een lange studiodag door met Antjie Krog. We namen een CD op van de selectie die ze uit haar gedichten maakte. Dat deed ze ter plaatse. Er lagen stapels fotokopieën, waaruit ze in razend tempo losjes strofen wegstreepte en hele gedichten terzijde schoof.
Toen het klaar was en de geïmproviseerde bloemlezing opgenomen deed ze er nog een gedicht bij, over een rooie kat. Dat was ik, zei ze. Het eerste wat ze bij binnenkomst vroeg was thee met melk. Dat moest er altijd zijn. Om Antjie Krog heen is alles anders, niet zozeer door hoe ze praat, maar door hoe ze met de omgeving omgaat. Heel direct.
Dat vind je ook terug in de prozabundel over haar vaderland, Zuid-Afrika en hoe ze opgroeide: 'Hoe alles hier verandert.' Soms zijn er stukjes in de derde persoon, zoals dit:
"Ze hoort haar moeder zeggen: 'Mannen zouden eigenlijk bibliotheekboeken moeten zijn: geordend naar type. Dan kon je de ene week een klusjesman lenen, de volgende week een historicus, met zaaitijd een boer, en als alles vredig is een leuke romantische man.'
Ze hoort haar broertje tegen een zwart speelkameraadje zeggen: 'Je moet je handen aan mijn moeder laten zien. Je wordt langzaam blank kijk maar, je handen zijn helemaal wit, je voetzolen ook. Je mag voortaan bij ons blijven.'"