Gisteravond liep ik een lang stil stuk waar maar af en toe een straatlantaarn stond. Een paar keer had ik de indruk dat er iemand achter me liep. Maar wat ik ook keek, niemand. Het was mijn schaduw die soms achter me verdween, dan weer voor me opdoemde. Meerdere schaduwen soms zelfs.
In zijn boekje 'Shadows' legt Ernst Gombrich uit hoe schilders dat probleem oplosten. Schaduwen blijven raadselachtig. Ze ontsnappen ons voortdurend, veranderen van vorm. Je kunt ze niet vastpakken, ze bieden geen houvast in een wereld waar alles vastligt. Je kunt ook door ze heenkijken.
De Engelsen hebben zelfs altijd naast hun regering een 'schaduwkabinet', waarvan het spook Jeremy Corbyn de schaduw-premier is. De Grieken meenden dat wij in een hiernamaals onder 'angstig piepende' schimmen zouden voortleven.
Maar, wat een schaduw werpt moet wel concreet zijn. Vampiers hebben geen spiegelbeeld. Was het niet Peter Schlemihl die zijn schaduw aan de duivel verkocht?
Lang geleden leerde ik aan een vormingsinstituut het schimmenspel kennen. Een haas met een oogje, met je vingers voor een lamp maken, maar dan verder, met prinsen en prinsessen.
De wereld van de schaduwen blijft vol raadselen. Op vazen uit de oudheid zie je nooit schaduwen. Ook de Chinezen lieten ze weg. Waarom?