Hopeloos verliefd wordt de held op Thimothina, het onaantrekkelijkste meisje in de buurt - waarbij we wraakneming voor een gelopen blauwtje niet moeten uitsluiten: 'Het lichte dons dat boven je lippen welfde, droeg geen klein beetje bij tot de ferme kracht die van je gezicht uitging. En op je kin glansde een prachtige bruine moedervlek waarop een paar fraaie krulhaartjes trilden.'
Een geestige omkering van een populair zwijmelgedicht van de romanticus Lamartine die zwaar in de mode was. Heel het verhaal barst van de dubbelzinnigheden en provocaties. En zelfspot. Wat te doen met een voortdurende erectie onder je soutane?
'Ik zocht vergeefs naar je boezem - je had er geen, je hebt lak aan zulke wereldse sieraden, je hart is je boezem... '.
Rimbaud zat zelf op een openbare school, toch is de autobiografie niet ver. Zijn beschrijving van het schoolleven is vol walging. Gaat hij bij Thimothina op visite en leest hij een gedicht dat hij voor haar maakte voor dan barst het gezelschap in lachen uit. Ook blijkt dat hij stinkt. Zijn voeten rieken. 'Wat ruik ik toch?' vraagt ze haar vader. Ze geeft hem tenslotte een paar sokken cadeau die hij uit pure liefde nooit meer zal uittrekken: 'O God, die sokken blijven aan mijn voeten tot u me in uw hemelse Paradijs binnenlaat.'
Rimbaud gaf het verhaal aan zijn vriend en leraar Izambard, die het opborg. Hij ontvluchtte Charleville. En de literatuur. Tot in Afrika. Pas in de jaren '40 werd dit verhaal herontdekt en lang twijfelde men aan de authenticiteit. Tot handschriftanalyse het bewees. Nu, vertaald en toegelicht door Katelijne De Vuyst voor uitgeverij De Wilde Tomaat, komt aan het licht hoe goed het is.