En lusteloos, die figuren uit zijn jeugd in de jaren ’30. Erger dan bij de vergelijkbare Stanley Spencer. Maar dit is Colombia. Het trieste der tropen.
Nu is dik om te schilderen niet makkelijk. Ballonvormige kuiten, goed, maar vooral ruggen van mannen en vrouwen met plooien om de kussentjes heen. Met een voorkeur voor jurken met kleine bloemen.
En dan hun ernstige gezichten. Niemand lacht bij Botero, nooit. Terwijl juist dikke mensen zich vaak redden met een lach. Bij Botero hoeft dat niet, omdat iedereen dik is.
Niet lachen dus. De psychologie van de altijd lachende dikke mens gaat hier niet op.
Vanwaar die bolle vormen? Uit de tijd dat auto's, die begonnen als vierkante koetsen opeens bolle wangen en billen kregen? Vanwaar die opgepompte mensen. Lang voor obesitas. Botero geeft geen antwoord.
Hij schildert een groot, onherstelbaar verdriet. Een wereld vol bisschoppen, tantes, heiligen, personages uit de kunstgeschiedenis en aanzienlijke heren. Uitgebreide families ook. Door hun eigen gewicht voorgoed tot stilstand gekomen.