Het stond er niet, toch drong tot je door dat de berustende huisvader die hij liet zien, een cover-up was. Toen Renate Rubinstein hun relatie verklapte in 'Mijn beter ik' was ie weg. Weg de man 'die het leven kende', wiens bundeltje elk jaar met Sinterklaas juichend door mijn ouders werd uitgepakt, omdat het ook hún huwelijksleven legitimeerde.
'De man' uit z'n stukjes, dat was hij zelf, en dat die man wel eens wat dronk, nu ja. Daar bleef het bij. Aan schrijven is hij nooit toe gekomen. Daarom, denk ik, zat er zo'n grimmigheid in hem. Dat merkte ik toen hij meedeed aan de Juinensche Courant, die voortkwam uit een vpro-campagne. Die vond hij veel te braaf. Een van z'n (anonieme) bijdragen was getiteld 'De Jeneverbus rijdt weer'. Geschreven uit woede omdat voor de junks in Amsterdam weer een 'Methadonbus' reed. Onverdraaglijk voor een alcoholist.
Renate redde hem. Als ie bij haar aan het Sarphatipark was zei ie thuis dat ie naar de Juinensche krant moest. Jennen kon ie ook. We meldden ons eens aan de receptie van het Amstelhotel voor een redactievergadering. Hij werd onmiddellijk herkend. Mijnheer Carmiggelt?
'Wij komen voor de Juinensche Krant.'
'Juinensche Krant?'
Zwetende mannen konden het niet vinden. Hij liet ze zweten. Stel je voor dat hij zo'n boek had geschreven als Renate. Misschien ligt er nog ergens een manuscript.