Tytgats acht dames van nabij

 Vanmiddag had een uitgelezen groepje liefhebbers in Schiedam de kans het unieke exemplaar van het erotisch prentenboek 'Acht dames en een klooster' van Edgard Tytgat van nabij te besnuffelen. Ik leidde in, de nicht van Tytgat die was over­gekomen complimenteerde me. Ik trots. Nu lees ik de vertaling van de tekst van Tytgat na, en de beschrijving van de beide monniken, Benoit en Prosper. In wie ik Tytgat zelf denk terug te vinden:

 ps. De tentoonstelling is er nog tot 2 seotember.. 

 'Monnik Benoit zit tussen

twee stoelen.

Hij heeft de duivel in het lijf

en de engel in de ziel.

Hij heeft de zin voor inquisitie in

zich en tegelijkertijd de grootsheid

van de christelijke liefdadigheid.

Hij is ingenieus en mystiek.

 

 Wat zit monnik Benoit zo mysterieus

te schaven, heeft hij de engel in de ziel dan

bouwt hij een ark van Noach of een kerststal.

Maar zit de duivel in hem, dan weet niemand

wat hij doet, in dat domein is hij te origineel,

we hebben er het raden naar.

 

 Monnik Prosper heeft de ziel van een

kunstenaar, het maakte zijn ouders,

burggraven‑boeren, wanhopig.

De arme Prosper kon de goede

plattelandslucht niet inademen

te midden dat extreem burgerlijke

kader, hij wou beeldhouwer,

schilder of dichter worden, om

dat debacle te vermijden, hadden

zijn ouders liever dat hij koos

voor het kleed van de religie.’

Tags: 

De acht dames van Edgard Tytgat

Hier de verdwenen post van maandag 23 juli jl.

Op 20 augustus zal ik op verzoek van mevrouw Deirdre Carasso in de Schiedams Stedelijk iets zeggen over Edgard Tytgat. Ze hebben daar tijdelijk de originelen te leen van zijn hoogst merkwaardige erotische beeldverhaal - met eigen tekst - van de Acht dames en het Klooster.

 Tytgat maakte het in de oorlogsjaren, in 1942 kwam er een losbladige map van uit. In 1974 een herdruk. Het is in het Frans en een vertaling heb ik nog niet. Wel drong door dat Tytgat de acht dames uit zijn kring van bekenden haalde en nogal gelijkend tekende en schilderde. Veel tantes!

 Het verhaal is raadselachtig, eerst is er Mathilde, een argeloos jong meisje dat in het klooster terecht komt waar de dames vreemde spelletjes spelen. Ze zijn ook genoemd naar figuren uit het kaartspel. Mevrouw Hortense, de schoppenvrouw is de kwade genius. Maar zij wordt al spoedig gestraft, afgeranseld met een riem. Er zit aardig wat SM in het verhaal, niet geheel Tytgats zachtmoedige stijl. Er zijn twee monniken, maar die assisteren bij het spel van de vrouwen.

 Het 'likje' tussen de benen is de eerste tuchtiging. Wie zich te goed gewassen heeft en naar zeep smaakt krijgt straf en moet geschoren worden. Dan is de beurt aan de jonge Mathilde, die gaat hallucineren van de ‘likjes’. Het wordt het erger, bizarre martelingen volgen. Maar zie, ze krijgt er plezier in.

 Ik ben nog steeds bezig de tekst en tekeningen te ontcijferen. Later meer. Op 20 augustus in Schiedam het hele verhaal in tekst en beeld.

Tags: 

De acht dames en het klooster

 En gisteren kwam goddank de vertaling, Nodig, want Tytgat schrijft Frans en het woordenboek is zwaar. Het werd een ware openbaring. De tekeningen zijn wondermooi, Maar de tekst van Edgard Tytgat is minstens zo goed. Ze vormen een geheel.

 Zijn fantasieën over de acht dames uit het kaartspel lijken uit zijn eigen leven gegrepen. Ziet hij een vrouw, zo ken je hem, dan ziet en voelt hij de hele vrouw, en zo geeft hij haar weer, zijn fantasieën incluis. En zo schrijft hij haar. In de oude kunst is het vogeltje de aanduiding van erotische verlangens. Bij Tytgat zijn vrouwen gekooide vogels. Het meisje Mathilde maakt kennis met de vogel

"'s Avonds, ver van indiscrete blikken, eerst schuch­ter, onderzoekt het jonge meisje hem met haar kleinste vinger, de kleine vogel in zijn kooi, gevangen.

De nauwelijks ontluikende haartjes zijn zacht als dons, door ze lichtjes te strelen, danst haar vogeltje op een onregel­matig ritme.

Naarmate haar vinger zich verder waagt, vangt ze een glimp op van dromen die slechts bestemd zijn voor haar jongemeisjes­ziel.

Met zwarte, bruine, blauwe of grijze ogen,

verschijnt een illusoire prins, boodschapper van beloften.

Wordt haar musje prematuur weggehaald door een ridderlijke

indringer, dan wellen er tranen als parels op in haar ogen.

Ook houdt elke vrouw zelfs zij die geen maagd meer is,

vast aan haar vogelkooi, ondanks het feit dat ze vaak geleegd wordt van elke droom."

Tags: 

Henri Evenepoel

 Tekenende, schilderende Belgen. Bij mij begon het bij de strips, van Hergé en Willy Vandersteen. Vandaar koerste ik naar het Lam Gods, Van der Weyden en Memling en de laatste jaren kwam ik hinkstapspringend via Rik Wouters bij Edgard Tytgat, die heel het scala tussen strip en schilderkunst omspant.

 En nu Evenepoel. Ik ontdekte hem al op de Kunstberg bij 'De eeuw van Brussel'. Eric Min, biograaf van Wouters en Ensor, Brusselomaan, was al een onmisbare gids. Zaterdag verscheen zijn biografie van de jong gestorven schilder en opmerkelijke fotograaf (1872-1899). Waarin de in Nice geboren Belg Parijzenaar wordt, een begin van succes heeft en bevriend raakt met oa. Matisse.

 Ze trekken veel samen op. Hij is dan drieëntwintig en Matisse vijfentwintig. Als Evenepoel zijn inzending voor een salon klaarmaakt helpt Matisse met sjouwen, van oa. een zwaar opgerold werk van Evenepoel: 'Dan wordt het dozijn schilderijen dat naar de Champs de Mars vertrekt langs de trap naar beneden gebracht. Terwijl Henri samen met Matisse de zware rol naar de entreehal van het expositiegebouw draagt - een voettocht van minder dan een kilometer - laadt hun vaste lijstenmaker Dosbourg de andere werken op zijn karretje. Na de lunch zullen de kunstenaars nog enkele uren bezig zijn met uitpakken en monteren.'  

 Later, als Matisse op Corsica zit wisselen ze commentaren op elkaars werk. Vier ontwerpen die Matisse stuurt vindt hij niet goed: 'Schilderkunst buiten adem is het, werken die je tot het uiterste drijven, en die met knarsende tanden geschilderd zijn. Toen ik ze voor het eerst zag was ik uit mijn lood geslagen - elles m'ont tué! Ik voelde me een burgermannetje.'

 Kort daarna sterft hij aan tyfus. Een halve eeuw later pinkt Henri Matisse nog een traan weg als hij aan hun samenzijn terugdenkt.  

De ontdekking van de levenslust

 De ongecompliceerde, van het leven genietende gewone man of - vooral - vrouw. Of het verzinnen ervan? Door vooral schilders in Antwer­pen en Duitsland (maar ook Lucas van Leyden aldaar) in de vijftiende en zestiende eeuw.

 Boijmans laat het zien in De ontdekking van het dagelijks leven, van Bosch tot Brueghel samengesteld door Friso Lammertse en Peter van der Coelen. Een klaterende voorstelling van vooral levenslust, muziek, seks en grappen. Waarbij de religie zoetjesaan een bijrol krijgt. Een enkele courtisane krijgt nog een zalfpot mee en heet dan Maria Magdalena. Maar wat was waar en wat fantasie?

 Schilderijen van bordelen werden goed verkocht. Zeker als de bezoeker de Verloren Zoon bleek. Maar bordelen kon je als welgestelde misschien beter aan de muur hangen dan er heen gaan. Geslachtsziekte dreigde. De waarschuwing, het oude excuus voor geile kunst.

 Maar waar komt het idee toch vandaan? Die Bruegheliaanse, carnavaleske vrolijkheid onder de boeren. Oeroud moet het zijn. Die boerenopstanden, honger en plunderende legers trotseerde. Je vindt het in het Herfsttij der middeleeuwen. Totaan Versailles toe waar Marie Antoinette zich verkleedde als boerin in een pseudo-boerenstulpje achter het paleis, ver van het hofprotocol. De vors­tin hoedde er - geparfumeerde - schapen en bezocht de hooiberg.

 Het melkmeisje, dienstmeisje. De meiden op weg naar de markt zoals je ze in de door Annemieke Houben verzamelde Vieze liedjes terugvindt. In het hooi? Op het veld?  

 Het is een lang verhaal naar het Carnaval der burgers van Ter Braak en de kermissen van Edgard Tytgat.

 De burgers leefden in benauwdheid en jaloezie en idealiseerden de boeren. Kochten schilderijen en prenten van de prachtige losbandigheid die nu in Boijmans te zien is. Waarin de spot wordt gedreven met hun spaarzucht - de vrek is standaardgrap en preutsheid. De huwelijksmoraal ach jee. In de bordelen wordt er korte metten mee gemaakt.

 Het is nooit opgehouden, waren het niet de lower classes die de rock'n roll uitvonden.

Liefdesbrieven in Gent

 In oorlog en vrede 1870-1930. Heet de schitterende tentoonstel­ling in het Gents Museum voor Schone Kunsten. Schilderijen, foto's, geliefden.

 Wat is een liefdesbrief? Je ziet de ander niet - het is soms oorlog - en probeert die in arren moede met woorden te bereiken. De moeilijkst denkbare opgave. Hoe breng je onder woorden wat er in je omgaat, wat je wilt zeggen? Het risico dat woorden averechts uitpakken vergezelt je bij iedere zin. Tot aan de brievenbus en daarna als je te binnen schiet wat je eigenlijk had moeten schrijven.

 Blijft de hoop op een goede verstaander of verstaanster. Bij ontmoetingen kun je het aan blikken zien als je een verkeerde toon treft, brieven zijn onherroepelijk.

 De schilderijen in Gent gaan vergezeld van vitrines met brieven, helaas niet in boekvorm te krijgen. Wat de correspondentie achter de schilderijen was moet je bij de meesten raden. Heel veel weten wij niet. En de tijd ging er overheen.

 Brieven blijven woorden onder vier ogen. Daarbuiten, zoals in deze vitrines, staan ze bloot aan oneindig veel misverstand, gissingen en vermoedens. Net als de schilderijen. Maar die spreken voor zich zelf.

 Intussen zie je het beste van de Belgische schilderkunst uit 1870-1930 plus wat erg mooie Fransen, Engelsen, Duitsers en Nederlanders. Van Tytgat tot Vallotton, van Picabia en Arp tot Evenepoel, van Dante Gabriel Rossetti en Khnopff tot Ensor, Van de Woestijne, Brusselmans en De Smet.

Bohème

 Vanmiddag bij de piekfijne tentoonstelling in Mechelen vloeiden de verhalen ineen. De koppen die Rik Wouters van Nel, hemzelf en z'n vriend Edgard Tytgat maakte raakten aan de praat met Nescio's Japi en Bavink. Van de Jan Steenzolder vloog ik naar de Bezemhoek, alles tegen 1910.

 Lezend in de Wouters-biografie van Eric Min (2011) zit ik in Nescio's Buiten-Ij, waar Lien ('uil!') de jongens voordoet hoe je een vet bord afwast. Nel, 'het velours madammeke' is een levende Lien die het huis­houden, eten en drinken van de vele langskomers bestiert: 'Onze vrienden zijn zo arm als wij. Iedereen brengt iets mee: een half pakje koffie of suiker, wat thee.' Stoken doen ze van sprokkelhout uit het Zoniënwoud.

 De discussies over kunst duren vaak tot 's nachts: 'Rik zit dan op de rug van zijn stoel als op een tribune in het parlement, met zijn voeten in dikke grijze sokken op de zitting en zijn klompen eronder.' De laatste tram is al lang weg en het is twee uur lopen naar de stad. De buurt ziet ze eerst aan voor terroristen of een religieuze sekte. De gelijkenis met Nescio gaat verder: Bij het naburige Sint-Pieters Woluwe ontstaat in 1905 een kleine anarchistische kolonie die zich later verplaatst naar de Bezemhoek. En een Uitvreter is er ook, Emile De Mets, die op de canapé blijft slapen en de volgende ochtend het brood blijkt te hebben opgegeten, getuige zijn briefje 'Het heeft gesmaakt'.

 Morgen in de Avonden meer.

Rik en Nel

 Morgen naar Mechelen, naar Rik Wouters in het Schepenhuis, dat de doeken uit het Antwerpse KMSKA te leen heeft, zolang dat verbouwd wordt (tot 2017!).

 Wouters was de zoon van een Mechelse houtbewerker en meubel­maker en begon met kerven in de vaderlijke werkplaats. Ik ga zien waar dat was. Ook al omdat Rik er uit geldnood tij­delijk heeft ingewoond met Nel, zijn bruid en model. Dat liep verkeerd.

 Rik Wouters leerde het vak in de tijd dat heel de Belgische woninginrichting vol zat met ornamentiek en gipsen lofwerk.

 Ze vluchtten terug naar Brussel. En landden Bos­voorde, in het wijkje 'De Bezemhoek' aan de rand van het Zoniënwoud. Waar Rik zijn mooiste werk maakte. Bekend is het ook van de houtsneden die vriend Edgard Tytgat in 1916 als In Memoriam voor Rik maakte van de mooie dagen die Nel, Rik en hij er beleef­den. Boterham­men met platte kaas en wan­delingen naar de kapel van O.L.V. van de Welriek­ende.

 Een paar jaren zijn ze gegund, dan is het augustus 1914. Nel schrijft: "Ikzelf had nooit serieus gedacht dat het werkelijk oorlog kon worden.. In het midden van de nacht, rond twee uur 's oc­htends, wordt er gebeld en met de vuisten op de rolluiken getrommeld: 'Mijnheer Henri, vooruit!" roept de veldwachter. "Hier is uw oproepingsbevel, ge moet zo snel mogelijk vertrekken."

 Twee jaar later sterft Rik Wouters. Hij ligt in een ver­zamelgraf met 'oorlogsslachtoffers', op een klein kerkhof aan de bosrand, daar om de hoek.

Prinsessen

 Uit de middeleeuwse hoofse liefde zijn ons de prinsessen gebleven. In sprookjes, vaak met nu vergeten gruwelvarianten. De schilder Edgard Tytgat ‑ ik zit achter hem heen ‑ overbrugt in z'n werk de genres en de eeuwen. In het land van Breughel, Delvaux, Ensor, Tijl Uilenspiegel springt Tytgat van kermis naar sprookje en terug. Tussenbeide treden beulen, monniken en nonnen op.

 Zulke verhalen schildert hij, middeleeuws, met meerdere episoden op één doek, zoals dat van de zes prinsessen die door nonnen kaalgeschoren en gestraft worden voor hun losbandigheid.

 Bijschrift: 'omdat ze bij het herdersspel hun maagdelijkheid hebben verloren... ontneemt de koning aan de zes prinsessen het leven... god, meer genadig, maakt engelen van ze.. En kijk, bovenin zie je de zes ten hemel vliegen..'

 Bij Tytgat schemert de kermis er altijd doorheen. In zijn huis in St. Lambrechts‑Woluwe onder Brussel had hij een zorgvuldig nagebouwde en beschilderde draaimolen. En wie wil weten wat prinsessen met kermis te maken hebben hoeft maar te gaan kijken naar de reuzen‑kermisorgels van Mortier, in het Brusselse Jubelpark‑museum.

 Edgard Tytgat was erom bekend dat hij zelden zijn goede humeur verloor.

Edgard Tytgat

 Is een schilder die niet anders kon of wilde dan de kroniek van z'n leven tekenen, schilderen en ook schrijven. In z'n vroege jaren woonde hij vlak bij z'n vriend Rik Wouters en diens vrouw en model Nel in Watermael, aan de zuidrand van de stad.

 Ze waren straatarm. Toen de eerste Wereldoorlog uitbrak vluc­htten Rik en Nel naar Amsterdam, waar hij in 1916 stierf. Edgard maakte ter nagedachtenis in Londen een diep ontroerend boekje met teksten en kleurhoutsnedes, getiteld 'Quelques images de la vie d'un artiste', waarin hij hun gelukkige jaren sinds 1907 vastlegde.

 De wandeling naar de kapel aan de Welriekende Dreef, waar ze boterhammen met platte kaas aten, Nel altijd in haar roodwitte – van vele schilderijen bekende - strepenjurk. En ook hoe Tytgat poseerde voor een beeld van Rik dat helaas nooit af kwam omdat hij naakt moest staan en het voortduren vroor en zeer koud was.

 Eens, schrijft Tytgat, vertelde Rik onder het werk over een droom die hij had, van een prachtig kasteel en tekende het meteen op de muur van het atelier. Natuur­lijk lagen Nel en hij in een hemelbed in dat kasteel. Tytgat (1879-1957) legde ook dit verhaal vast in kleurhoutsneden.

Pagina's