John Berger

 ‘A jar of wild flowers' heet de bundel opstellen over en aan John Berger (1926-2017) van vrienden en bekenden. Een eerbewijs. Het begint met een stuk van Hans Jürgen Balmes, getiteld 'In the mountains', de Jura, waar Berger lange tijd woonde.

 'We zitten in de keuken in Quincy. Plotseling wordt het donker in de kamer. Hoog in de bergen is elektra geen gegeven. Stroomuitval komt vaak voor. Blackouts zijn er frequent, ze duren soms uren. John Berger staat op, loopt naar een kast, komt terug en steekt een kaars aan. 

We knipperen in het flikkerende licht.

John Berger beweegt zijn lippen in stilte, alsof hij wat woorden aan de duisternis wil ontlokken. Hij knippert met z'n ogen, wacht, alsof hij een val heeft gezet om woorden te vangen. Tenslotte: 'Nu zijn onze gezichten schilderijen, in elektrisch licht zijn we foto's'.

Kaarslicht maakt de schaduwen gastvrij. Met enige aarzeling ruimt John Berger zijn tafel op. Haalt een manuscript tevoorschijn. Legt het op tafel, bladert en strijkt tenslotte de pagina's glad met zijn elleboog. Hij leest, langzaam, maar met vertrouwen. Weer hebben we de indruk dat hij enige afstand moet overbruggen voor hij begint - een potloodlijn om zich een open plek te herinneren, een stilte voor hij houvast heeft, maar waarin? We weten het niet, maar voelen ons alsof we er zijn.

Tags: 

Rook

 Sigarettenrook. Heel even, maar het was genoeg een vergeten wereld op te roepen. Oude boeken verkopen of weggeven kan niet meer, half bruin aangeslagen als ze zijn. Ik blader en vind sliertjes tabak, een afgescheurd vloeipakje als bladwijzer.

 Pas nog vond ik het in 'Smoke' van John Berger en tekenaar Selcuk Demirel. Rokende mensen overal, rokende huizen, rokende auto's, schepen, treinen.

 Nog komt de smaak van teer soms nog in mijn keel, hoewel het dertig jaar geleden is.

 'Hoeveel rookt u?' 'Geen idee, ik rook altijd, behalve als ik slaap of eet, maar dan nog tussen de happen door.'

 Berger en Demirel eindigen met wat rook ooit was: 'hoop'.

  'Ze reisden vele dagen en kleumden vele nachten/ samen in de verwoestende kou. En/ ze begonnen hun gevoel voor geschiedenis te verliezen.

Ze gingen denken dat er alleen maar honden en ijs/ in de wereld waren.

Toen, op een ochtend ontwaarden ze voorbij de horizon/ van de toendra een rookpluim/ die ten hemel steeg./ En ze juichten./ Een teken van menselijk leven.

De rook moest geweest zijn van een vuur ontstoken door/ een groep nomadische Inuits.'

 

Tags: