Improvisatietheater, waarbij de regisseur en hoofdrol soms een taxichauffeur speelt, dan weer uit z'n rol valt. Hij blijft er wonderlijk kalm onder. Wat heeft hij? Een camera, een kladje, wat uitgezette karakters en vooral toeval. En dan maar reageren op wat zich voordoet.
Jafar Panahi koos de auto, daarin balt heel Teheran zich samen. Een ware pressurecooker: biechtstoel, ontmoetingsplek, marktkraam tegelijk. Soms komt via een telefoontje de buitenwereld binnen.
Dubbele bodems genoeg. Zoals de 'film in de film', gemaakt door zijn jeugdige nichtje, die een filmpje moet maken voor school, volgens de strikte regels van het regime. Zodat de toeschouwer haarfijn - en heel komisch - wordt uitgelegd wat in film mag en wat niet. Zoiets als Taxi Teheran zeker niet. De film werd het land uit gesmokkeld.
Panahi is duidelijk een leerling van Abbas Kiarostami, zijn nichtje lijkt zo uit diens Witte ballon (1995) weggelopen, waarin een zevenjarig meisje perse een goudvis wil kopen. Wanneer twee dames met een goudvissenkom instappen weet je het. De goudvis is een symbool in Iran. Alledaags bijgeloof, belangrijker dan Allah. Ze moeten hun vissen voor twaalven in hun vijver terugstorten, want anders... Hun lot is verbonden met dat van de vissen.
Panahi mist wel de drijvende inzet van zijn leermeester. De taxichauffeur - dat is zijn rol - heeft geen doel, is dienend, laat de wereld vol ironie op zich af komen. Natuurlijk is dat doel er wel. Maar dat de chauffeur tegelijk een filmer met een berufsverbot is blijft noodgedwongen op de achtergrond.