In het dorp Arc‑en‑Senans bezuiden Besançon zag ik in 1991 hoe de gebouwen van de in 1793 gestichte Staatszoutfabriek gerestaureerd worden. Zout was eens een geldsoort en de zoutverkoop een staatsmonopolie. Er waren dus ook zout‑bootleggers, en een zoutpolitie die ze naar de galeien zond.
Naar dat project van ambtenaar en architect Ledoux ben ik wezen kijken, vooral ook naar de maquettes van zijn andere verzinsels. Wat Ledoux gebouwd heeft is niets bij wat hij verzonnen heeft. Een 'architecture parlante', vol symboliek. Verbijsterd kijk je naar het idee voor een dodenstad. Een raamloos catacombencomplex rond een enorme gesloten bol, waaromheen, 'als planeten', radiale toevoegingen. Een lichtgat zit alleen boven in de bol, net als bij het Pantheon in Rome. Dit noemt Ledoux 'l'image du néant'.
Het is nooit gebouwd. En dat is als je het mij vraagt ook de essentie ervan. Architectuur van de geest is het. Van architecten die uitsluitend tekenden, zoals schilders uit middeleeuwen en renaissance op hun achtergronden ook naar hartelust bedachte gebouwen konden neerzetten.
In Arc‑en‑Senans zie je wat er van komt als er maar een fractie van wordt uitgevoerd. Alles wat de tekeningen opriepen wordt onverbiddelijk door de al te echte, al te zware steen vermorzeld.
Dit kwam bij me op door het juist verschenen essay '2x2+X' ofwel 'de geometrie simpel in oude architectuur en nieuwe kunst' van Hans Sizoo, over de onontkoombaarheid van de geometrie. Van Ledoux en Boullée tot Ad Dekkers en Carel Visser. Wij zijn geometrische wezens.