Kleeding

 'Wij zien een bizonder, nog meer in de lengte dan in de breedte, groot hoofd, op een betrekkelijk korte, vierkanten ges­talte, die nader uit een lang dik bovenlijf en korte beenen blijkt te bestaan.' Zo beschrijft Lodewijk van Deyssel zichzelf in augustus 1922. Tevreden is hij niet. Hij vervolgt in het stukje dat Harry Prick uitzocht voor het boekje 'Goddelijke gevoelingen' (in 1998 uitgegeven door Nico Keuning bij Reservaat) als volgt:

 'Dit moet de kleeding corrigeeren. De twee voornaamste te corrigeeren dingen zijn het grote hoofd op de kleine schouders en de korte beenen. Verder is, wanneer die aanwezig is, de algemeene dikte te corrigeeren.'

 En volgt een reeks tips, zoals: 'Dassen, smalle, dunne (die de dikke borst niet nog dikker maken). Overjassen: ulsters, ruig, met hooge kragen (die het hoofd niet te zeer afzonderen van de gestalte).' En in het algemeen, 'Kleeren: ruim en wijd. Sportkleeren (ruig). Pandjesjassen (die de afscheiding tussen lijf en beenen verbergen).'

 Vooraf gaan nog opmerkingen over hoeden - strohoeden oa. - die eindigt met 'kleine ruige jachthoedjes bijna zonder rand. Ook petten met recht vooruitstekende klep.'

 En dit alles ter correctie van een te kortschietende verschijning. Maar geldt dat niet voor veel kleding?

Menschen en bergen

 Vandaag fietsen de wielrenners Luik-Bastenaken-Luik. Door de Ardennen, het van oudsher voor Hollanders meest nabije berglandschap. Waar schilders als Henri Bles al in de vroege renaissance heen trokken om een glimp van het heilige land op te vangen. 

 Ook de tachtigers kwamen veel en vaak naar de Ardennen. Als kind al keek ik ook in Dinant gefascineerd omhoog. Voor een Hollander blijft een berg iets buitenaards. En meteen is er de wil er op te klimmen. Rotstuintjes verrezen in stadstuinen. In de Tour de France vielen ze af, op de Limburger Jan Nolten na.

 Ik hoopte dat de wedstrijd weer langs het Hotel de la Grotte in Aywaille zou komen, waar ik eens logeerde toen F.B.Hotz er ook zat, maar het parcours was veranderd.

 Ook was ik in La Roche waar Van Deyssel in hoger sferen ra­akte, getuige zijn verslag van een zondag als men daar ter kerke gaat in 'Menschen en bergen'. Geschr­even in lyrisch tachtigersproza. Hij werd high van dat landsch­ap, kun je ook zeg­gen:

 'Het heele lichaam werd langzaam vooruit bewogen tusschen ontzachlijk zwijgende hooger en hoogere heuvels, die lief en alleen schenen en verre mooye luchten, waaronder, in den eersten warmen voorjaars‑Zondagavond, door lage ronde zwarte hoedjes zich verkantoorbediendehoofdende boeren hun stijve rust ommedwaalden, met hun zwart‑lakensche broeken dragende door rooye zonnestralen vergloeide en in een muggen­zwerming overstipte gram‑bruine gezichten, naast den weg begrommellommerende, donkerklompige, blokdommelende hoogrotsingen.'

Van Deysels vliegen

 Bij een zomergriep, zoals ik die nu heb slaat het linksaf of rechtsaf zonder dat er een peil op te trekken is. Koorts, waterstromen uit neus en ogen. Onbedaarlijke niesbuien begeleiden de verwarring. En zo kom ik bij de levenslange strijd van Lodewijk Van Deyssel tegen het vliegeneuvel.

 Biograaf Harry Prick legde het me eens precies uit en deed me het sprongetje voor dat de schrijver maakte bij het openen en sluiten van zijn kamerdeur, opdat daarbij geen vlieg zou binnendringen.

 Ook te vinden in het onmisbare 'De schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel'. In 1899 was er al een 'vliegentent' waarin hij met stoel en tafel kon zitten werken. Er mochten ook drie vliegen in. 'Want men mag de natuur toch niet geheel uitsluiten', en hij noemde deze drie vliegen Juno, Jupiter en Venus. 

 En schrijft: 'Ik heb zoo even aangewend het psychische middel der gelat­enheid, onverschilligheid of ongevoeligheids‑dwang. Een vlieg kwam op het hoofd. Ik hield het onbewegelijk, kijkend op den sekonden‑wijzer hoe lang het zou duren. 1e minuut bleef hij, eerst op het haarhoofd morrelend en kriebelend, toen om het oor heen, toen op den linker wang, eindelijk onder den neus boven op den snor, toen onder den snor. Nu kwam de gedachte, dat die vlieg wellicht smetstof op de vochtige lippen zou brengen, ‑ de houding veranderde, ik gaf het op en brieschte de vlieg weg.'

 En dan: 'Verder wuif ik, bij het uit‑ en ingaan van de kamer, met hand of zakdoek, en voeten, om de vliegen te verwijderen. Bij het uitgaan van de kamer, klap ik eerst even snel met de deur, om de vliegen, die er tegen aan mochten zitten, op te jagen, opdat zij niet, door het plotseling wuiven, terwijl de deur open is, geheel in de war, tegen de wuivende hand in de kamer mochten binnenvliegen.'

De onmogelijke Kloos

 Rondwaren door leven en werk van Willem Kloos, zoals beschreven in 'O God, waarom schijnt de zon nog!' van Peter Janzen en Frans Oerlemans. En weergegeven in de herdruk van zijn verzen (1894).

 Kloos, soms beschreven als borderliner. Alcoholist was hij in elk geval, anders dan de kerngezonde sportman Herman Gorter. Was hij de grootste? Hij vond zelf in elk geval van wel. Altijd naar het uiterste. En daarbij niets schuwend wat hem beroerde. En een vechter als het ging om 'zijn' blad De Nieuwe Gids.

En in vriendscha­ppen. Een onmogelijk mens die men steeds weer vergaf. Zelfs Frederik van Eeden. Ook Van Deyssel bleef hem trouw. Vriend Willem Witsen schreef 'wantrouwen is een algemene ziekte in gevallen als dat van Kloos'. En dan, aan de vrouw van zijn uitgever: 'Hij wordt beklaagd en verzorgd, hij wordt zichzelf weer, zijn oude trots komt terug enz. terwijl het gebeurde een harde les voor hem had behooren te zijn. U plukt de bittere vruchten van teveel toegevendheid, mevrouw.'

 Altijd waren er weer mannen en vrouwen die voor Willem gingen zorgen, hem geld leenden. Pannetjes eten brachten, jawel. Jeanne Reyneke van Stuwe verzorgde hem tot het eind. Hij werd zeer oud. Ik lees het begin van Vers nummer LV:

 'Ik ga mijn leven in orgieën door

Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk,

Daar 'k ál smart in losbándigheid verloor,

Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk;'  

En profil

 Een van de raadsels van de Egyptenaren is waarom zij zich in tekeningen, reliefs en schilderingen altijd 'en profil' lieten afbeelden. Alleen een oog keek je aan. Van de meeste dieren zie je ook maar een oog tegelijk, misschien zat het hem daarin. De enige Nederlander die er bij mijn weten over schreef was Lodewijk van Deyssel.

 Hij kwam er zonder twijfel op omdat hij gefotografeerd moest worden, terwijl hij scheel was, zijn linker oog keek 'naar buiten'.

 Eens liep hij voor z'n biograaf Harry Prick - die me dit vertelde - uit, keek met dat ene, loensende oog achterom en zei schertsend: 'Ik neem u waar'. In 'Goddelijke gevoelingen' vind ik deze regels over het profiel: 

 'Men ziet in dat profiel iets, namelijk een menschenschoon­heid van den eersten rang en in de face ziet men een knoeiboel. Datgene, wat als hoofdzakelijk levenselement iets van den eersten rang in zich had, had een ander element dat het Geheel verknoeide. Dit is het hoogste en meest wezenlijk tragische.'

 Van Deyssel ziet in de 'face' een 'kleinburgerlijk (zij het deftig of met gevoel van eigen waarde aangedaan burgerlijk) kopje, met een vorm van gedruktheid, of bekrompenheid daarin. En nu is buiten-dien in dat burgerlijk kopje een verknoeying in de lijnen en trekken.'

 Maar of de Egyptenaren er ook zo over dachten? Ik zoek verder.

 De fragmenten in  'Goddelijke gevoelingen' (1998) werden gekozen door Harry Prick en uitgegeven door Reservaat. 

ps. Natuurlijk kijkt het Egyptisch oog je aan, terwijl de neus naar voren wijst.. Van Deyssel heeft iets Egyptisch..

Goddelijke gevoelingen

 Lodewijk van Deyssel (1864-1952) schreef in zijn laatste aantekeningen soms over wat hij zijn 'Goddelijke gevoelingen' noemde. Gisteren vond ik op de Bijzondere Beurs bij schrijver en uitgever Nico Keuning het gelijknamige boekje, samengesteld door Harry Prick. Van Deyssel op 10 januari 1947:

 'Mijn laatste, zoo niet grootste, ontdekking is geweest, dat wij hier op aarde in de hemel leven.' (...)

 'Ik weet, dat ik, naar de bevinding bij het hoogste reiken der wijsgeerige gedachten, in den hemel ben. Ik ben er eigenlijk echter, pas geheel, of pas waarlijk, in wanneer ik mij, zoo zeer als mógelijk is, bewúst van ben van er in te zijn, dat is: met een geheel van gevoel doortrokken, of uit gevoel bestaand, bewustzijn, zóo, dat alle tot de werking, die men 'leven' noemt, behoorende bewegin­gen, gewaarwordingen van hoogste, van als onovertrefbaar voorkomend, geluk, heerlijkheid, geven. Als ik de oogleden opsla en kijk om mij heen, dan gevoel ik mij geen gro­oter geluk te kúnnen denken dan hier nu aldus in deze mij omgevende kamer te zijn. Wanneer ik mijn hand zie bewegen of deze gevoelt zich zelf bij samendrukking, met haar warme vas­theid, dan voel ik het geluk daarin tintelen.'