'Mijn lichaam was een huis waarin ik ruimschoots paste./ Ik klampte me aan knuffels vast, bad Here, houd ook/ deze nacht, viel knieën stuk maar beterde behendig.
Had ik griep, dan trokken leukocyten als een leger op,/ vernietigden het virus en onthielden zijn tactiek.
Maar het leger pleegt vandaag een staatsgreep/ in mijn beenmerg. Erytrocyten en trombocyten/ slaan samen op de vlucht./ Mijn organen krijgen/ amper lucht.
Ook bloed ik op vreemde plekken./ In mijn benen, in mijn oogwit, uit de minuscule/ gaatjes in mijn aderen geprikt.
Mijn borstbeen moet doorboord, een naald/ extraheert vocht, het magma uit mijn binnenste/ wordt grondig onderzocht.
Een commandant in witte jas onthult zijn strategie:/ 'Deze veldslag winnen we met chemotherapie./ Maar het veld wordt wel beschadigd.'
Het wordt een uitgestrekt gevecht, een bloedbad/ in een huis dat lekt.
En ik ga slapen. Ik ben moe./ Ik sluit mijn beide oogjes toe.’