Ons hotel is vrijwel leeg. We delen het met een vliegtuigbemanning die dronken wordt, door hun bedrijf hier een week ondergebracht om de groepsgeest te versterken.
De lege eetzaal flonkert. Onder de kristallen kroonluchters dient een Roemeense ober het weinige op dat er is. Schnitzel, aardappelpuree, een augurkje, zilveruitjes. Geen verse groenten nee. Ja, wacht, er was nog een tomaat. Hij komt met een zilveren dienblad uit de oude tijd waarop twee bokalen waarin elk de helft van een fraai gesneden halve tomaat. Applaus.
In Praag was nog een wagon sinaasappels aangekomen, hier niet.
Het hotel met zijn binnenplaats met pantserglazen afdakjes doet mijn vriendin hevig denken aan De huurder, de film van Roman Polanski waarin de hoofpersoon zich tenslotte naar beneden stort en dwars door pantserglas als dit doodvalt. Ze doet geen oog dicht.
De volgende dag rijden we terug naar Cheb, waar opnieuw de grenspolitie met zaklampen onder alle wagons speurt naar verstekelingen.
Ik wilde naar Marienbad omdat Franz Kafka er een nacht doorbracht met eeuwige verloofde Felice Bauer. Was het dit hotel? Nee, het was een hotel verderop. Nu gesloten.