In de catacomben

 De mol is ongeschikt als huisdier. Tenzij je het huis van de mol het jouwe zou maken. Holbewoners houden misschien mollen. Wat me aantrekt aan mollen is dat je alleen hun molshopen ziet. Die getuigen van hun grote bedrijvigheid. Kafka schreef niet voor niets over een reuzenmol. 

 In het nieuwe nummer van Tijdschrift Terras over Catacomben vind ik 'Veldnotities uit het souterrain' van H.C.Ten Berge, waarin hij een mol ziet:

 'Een dode mol met dauw bedekt/ lag in het tuingrind van mijn ouders -/ een zwartfluwelen lijfje, roze snuitje, vliezen/ voor de ogen, graafklauwtjes nog uitgestrekt./ Dakloos en verkleumd/ had zij het die nacht begeven, kon/ tussen de kiezels/ niet meer ruiken waar de doolhof/ in de losgewoelde grond begon./ Ik groef een graf waar zij ten naastenbij/ haar worp te eten gaf/ en nog geen dag geleden leefde.'

 En dan citeert hij het gedicht van Antonis de Roovere uit 1460 over het mollenfeest. Nadat hij heeft verteld dat mollen, zoals middeleeuwers al wisten, niet aan mensenlijken snuffelen. Wel konden de doden tijdens de pestepidemie daar beneden inhaken in de dodendans van de 'Coninck der mollen':

'Het was gedaan

Het is geweest

Zij moeten gaan ter mollen feeste.’