In deze film is hun beroep het op straathoeken staan met het bord van een makelaar in je handen waarop onroerend goed te koop of te huur wordt aangeboden. Niemand die kijkt, het verkeer raast voorbij. Het regent en regent, zoals in Taiwanese films zo vaak, en er staan veel van die mensen met borden in gekleurde regenjassen, eindeloos dagenlang.
Hoofdrol Wang - de enige die het niet volhoudt, van wie je emoties ziet - onderdrukt zijn woede met het prevelen en daarna zingen van een Chinees lied uit de keizertijd, over een verloren strijd, waarin de verslagenen zich niet gewonnen geven. Die eindeloosheid is het eigenlijke onderwerp van de film. Zoals het heel langdurig staan pissen in het riet of het tot op het allerlaatste botje afkluiven van een kip.
Het eindigt met een minutenlange slotscène, die alleen kan eindigen omdat de acteurs het decor hebben verlaten. Zodat je overblijft met het 'achterdoek' - een wandschildering van de keienbedding van een rivier. Alles in een nooit afgebouwd huis, aangetast door vocht. Moeder legt de kinderen uit dat een huis een mens is en dat dit huis rimpels heeft omdat het ziek is.
Wachten is nog te veel gezegd. Er zou een bus kunnen komen. Hier komt niks en niemand. Een heel mooi niks. Het ontstaat door er heel lang naar te kijken. Je blik gaat het beeld een paar maal rond.. blijft steken.. je versuft. Daarna keer je terug naar de gezichten van de personages... en opnieuw. En weer.