Wat bij het vertellen van het Doornroosje-verhaal doorgaans vergeten wordt is het gereedschap. Hoe zou een prins anders tot haar zijn doorgedrongen?
Er kwam een brief uit Zuid-Frankrijk. Het verzoek was simpel. Gezocht werd een handige man die in zijn vakantie wilden komen kappen op haar landgoed. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, ik ging. Een hoog tuinhek werd geopend door een neger met een strooien hoed. Hij bleek de schrijver van de brief. Nadat hij me een kampeerplek had gewezen bracht hij me langs een in de hoog opgeschoten maquis uitgehakt paadje naar een koetshuis en toonde me het gereedschap. Zo'n verzameling had ik nooit gezien, heggescharen in vijf formaten, honderden zeisen, bijlen, sikkels en kapmessen, stuk voor stuk totaal verroest. Een zwaard was er niet bij.
'Ja, wat wil je,' zei de neger, 'nooit gebruikt en bijna honderd jaar oud.' Wat was mijn opdracht? 'Eerst slijpen,' zei hij, en gaf me een wetsteen. Daarna wees hij naar een verre torenspits die verderop uit de dichte rimboe oprees: 'Die kant op werken,' zei hij. ‘En je hoeft niet zachtjes te doen.’ Ik sleep de messen en begon. Al zwetend raakte ik in een vreemde trance. Van 's ochtends vroeg tot zonsondergang doorploeterend legde ik eerst een rij bemoste beelden van jagerinnen bloot, daarna reusachtige bloemvazen, een vijver met fontein en zelfs een complete tennisbaan, alles verweerd en uitgeslagen, verroest en kapot. De neger vertoonde zich na drie weken weer en knikte goedkeurend. 'Wat is hier toch gebeurd,' vroeg ik. 'Je kent het sprookje,' zei hij.
Toen ik op mijn laatste vakantiedag het bordes van de villa had blootgelegd opende zich een deur. Er kwam een hoogbejaarde dame naar buiten met een dienblad vol hapjes en limonade. 'Hier,' zei ze, 'voor jou sukkel, voor de moeite.' Daarna sloot ze de deur achter zich.