Ze heeft zelf genoteerd dat haar verhalen sinds haar debuut in 1968 ongewoner werden, meer sprongsgewijs in elkaar zaten en meer van de lezer eisten.
Maar wat lucht het op eens niet langs versleten verhaallijnen te lezen. Er komt bij Munro altijd zomaar iemand binnen, het begint te sneeuwen of een herinnering dringt zich op. En je denkt 'ja, zo werkt het bij mij ook'.
Net lees ik 'Before the change' uit de bundel 'The love of a good woman' (1998) met bij uitzondering een ik-figuur. Munro schrijft zowat nooit direct autobiografisch. Ze kijkt en luistert nauwgezet naar wat er omgaat tussen mensen in kleine gemeenschappen, gezinnen, bedrijfjes. Een Amerikaanse traditie, lijnrecht tegenover de Europese ego-cultuur.
Hier logeert een dochter voor het eerst in jaren bij haar lastige oude vader, een intellectuele huisarts met een hobby in geologie die geen tegenspraak duldt, en zich voornamelijk uit in een repertoire van zuchten, kuchen of nog luidruchtiger neus-keel geluiden. Al maakt hij een uitzondering voor zijn volkse huishoudster. Wat die niet weet laat haar niet alleen onverschillig, ze veracht het. En gek genoeg, dat respecteert hij.
In de slotscene krijgt zijn dochter eindelijk de kans tegen haar vader te zeggen wat haar al jaren dwarszit. Ze praat en praat. Hij zit in de schaduw, luistert onbewogen.
Dan komt de huishoudster binnen en zegt 'zie je dat dan niet, die man is dood'.