Wat een opvlieger was wist ik niet tot ik het 'Sonnet van de opvliegers' van Antjie Krog las.
Iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
je benen klappen naar buiten je gezicht
verzengt je wangen spuwen vuur en vlam
en telkens breek je uit in lagen
zweet je huid witheet in lichterlaaie schuivend
op je stoel besef je pas hoe een vrouw
op hete kolen zit terwijl de overgang
haar sappigheid verwoest. genoeg.
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg - je grijpt de dood. je drukt
die rotgok van 'm in je korrelige kaalgeplukte kut.
Weet ik het nu? Ik maakte haar mee, en ja, steeds dichtbij het kookpunt.