Altijd al zag ik in Appel iemand die met beweging kon werken in een vlak zonder z'n evenwicht te verliezen. Maar zijn door kindtekeningen en naïeve kunst geïnspireerde werk uit de Cobratijd en later hinderde me.
En nog. Eens te meer lijkt de zogeheten charme van het kinderlijke me een ergerlijk verzinsel van volwassenen. Wat kinderen ook zijn, niet naïef. Als kind al haatte ik wat van kinderen gebrouwen werd.
Wat daarna kwam heeft Rudi Fuchs stevig vastgehouden. Het portret dat Appel van hem maakte hoort tot de meesterstukken in Den Haag. Om te beginnen is het een gelijkend portret, dit is hem, zo ziet Rudi Fuchs eruit. Meer Fuchs kun je niet schilderen. De twee blauwe tl‑buizen erbij moeten pure ironie en pesterij zijn. Appels commentaar op Fuchs' geflirt met modernisten - 'de schilderkunst voorbij'.
Ook in de andere portretten schuilt - zover ik kan nagaan - vaak treffende gelijkenis.
Het treffen is de sleutel in Appels schilderstijl. Als je zo werkt als hij schiet je in ene keer raak of mis. Niet dat hij zijn doeken niet voorbereidde en plande. Meestal zijn ook de schilderijen beter gelukt dan verwante tekeningen.
Samensteller Franz Kaiser heeft meest voltreffers uitgezocht. Er zitten ook missers tussen, dat hoort bij Appel.