De schilder Rousseau's afvaart uit het leven.

Geschreven door de dichter Werner Aspenstrom.

 'De leeuw, de panter en de vredig weidende lammeren,

de apen, de slangen en de schelle junglevogels,

de laatste nacht waakten wij bij zijn kist,

wij, zijn rouwende kinderen.

De zigeunerin was er ook,

Yadwiga, de fluitspeler en het jonge paar

dat net van het carnaval huiswaarts keerde.

De nacht reisde langzaam verder.

De gele maan waakte met ons mee,

de verstijfde bomen langs de oever

en de duizend groene bladeren.

 

's Ochtends even over zeven

kwam de raderstoomboot plonzend de rivier af­gevaren.

Wij droegen hem aan boord. De kapitein

blies de aftocht.

 

Gij, God van twijfel en van catastrofen,

stoor de schilder Rousseau niet in zijn gedachten,

laat hem geloven dat alles onveranderd blijft

en dat wilde dieren zich alsnog door fluitspel

laten temmen.'