'De leeuw, de panter en de vredig weidende lammeren,
de apen, de slangen en de schelle junglevogels,
de laatste nacht waakten wij bij zijn kist,
wij, zijn rouwende kinderen.
De zigeunerin was er ook,
Yadwiga, de fluitspeler en het jonge paar
dat net van het carnaval huiswaarts keerde.
De nacht reisde langzaam verder.
De gele maan waakte met ons mee,
de verstijfde bomen langs de oever
en de duizend groene bladeren.
's Ochtends even over zeven
kwam de raderstoomboot plonzend de rivier afgevaren.
Wij droegen hem aan boord. De kapitein
blies de aftocht.
Gij, God van twijfel en van catastrofen,
stoor de schilder Rousseau niet in zijn gedachten,
laat hem geloven dat alles onveranderd blijft
en dat wilde dieren zich alsnog door fluitspel
laten temmen.'