In april verschijnt een nummer van het ‘Haagse’ tijdschrift Extaze over water en zee. Ik schrijf over Willem Brakman, die doodsbang was voor water. Hij bekende het me toen we eens naar het Stille strand waren gefietst, achter Duindorp, waar hij opgroeide.
'Er is geloof ik geen tweede Nederlander te vinden die zo bang is voor water als ik.'
Door het duin en het mulle zand waren we gekomen op wat eens de vaste strandplek was van de familie Brakman: 'Ik liep graag en veel langs de vloedlijn. Maar ik was al bang in die tijd, dus ik ging niet verder dan mijn knieën.’
‘Die prachtige zomers. In tegenstelling daarmee was dat er nogal veel mensen verdronken. In mijn gedachten kan ik er zo vijf of zes tevoorschijn halen. En dat ging altijd op de zelfde manier. De zee zag er kalmpjes uit, kleine golven, en dan ineens was het zover, dan zag het zwart van de mensen en waren er reddingspogingen. En die mislukten. En mijn vader dacht dat hij ons iets moest leren, namelijk wees voorzichtig met het water. En duwde ons net zo lang tot we vooraan stonden en naar dat lijk konden zien. Hij nam ons bij de hand en liet ons een soort kroket zien die door het zand heen en weer werd gerold. Dat heette toen kunstmatige ademhaling.'
En hij voegde toe: 'Dat verdrinken, dan was er altijd dat merkwaardige moment. Als de betreffende aan land was gesjord dan veranderde de zee. Die kreeg een uitermate hypocriet uiterlijk. Namelijk alsof er niets gebeurd was.’
‘Stel dat ik dat slachtoffer was geweest dan had iedereen aan de zee kunnen aflezen: "Willem Brakman? Ik weet niet waar jullie het over hebben. Nooit gezien."