Van Constantijn Huygens (1596-1687) ontdekte Simon Groenveld een reisverslag uit 1654 dat toevallig bewaard bleef tussen archiefstukken.
Huygens, manusje van alles van de Oranjes, was uitgestuurd naar het Rijn- en Moezelgebied om de buitenlandse domeinen van de familie Oranje Nassau te beheren, materiaal uit te zoeken voor geplande bouwwerken. Hij was een workjunk en had overal verstand van, schreef poëzie en proza, musiceerde en componeerde, was diplomaat, inde belastingen maar wist ook van prijzen en productie van hout en ijzer. Het verslag laat zien hoe idioot ingewikkeld zijn leven was. Hij vatte een werkdag in dienst van de Oranjes zo samen:
'So slaep ick, en soo niet, naer 't pas geeft. Meest den morgen
Bested' ick aanden plicht van Hoofsen Raed en sorgen;
(...)
Twee uijren draeijt dat Rad voor noen, en na twee ander'.
Vier uur per dag was hij alleen al kwijt aan klagende, marchanderende belastingplichtigen. Hij deed het goed. Als de Oranjes er nu warmpjes bij zitten legde een dichter daarvoor mede de grondslag.