Een Ruimtereis

Van Alida Beekhuis, uit de nalatenschap van de dichter Louis Lehmann, komen dit verhaal en deze tekening. Beide ongepubliceerd. Datering volgt, ik schat jaren ’50..

 Daar ik nu wel andere dingen aan mijn hoofd heb is het wat moeilijk mijn angst en spanning van voor de oplating na te vertellen, Maar ik verzeker u dat ze niet gering waren. Er waren wel apen met raketten van 60 mijlen in de atmospheer naar beneden komen vallen en de dokters hadden verklaard dat deze in blakende physieke wel stand verkeerden, Maar de apen hadden niet kunnen vertellen hoe hen de reis was bevallen. Ik kon me niet voorstellen dat ze het direct prettig vonden en mijn ondervindingen hebben ook uitgewezen dat het lichamelijk ongemak op vele momenten verre van gering is. Maar zoals u ziet, het is in zekere zin meegevallen. Als ik bij het begin wilde beginnen moest ik u de liefdesgeschiedenis vertellen, welks uiteindelijke onaangenaamheid mij er toe bracht mij op te geven als vrijwilliger voor het opgelaten worden in een raket, toen men meende van de apen niets meer te kunnen leren. Er plegen weinig mensen zelfmoord, wat eigenlijk wel vreemd is en ik begrijp ook van mezelf niet hoe ik tot mijn geste kwam. Met de gewone ijdelheid komt men er niet. Ik verwachtte ook eigenlijk niet dat ik aan genomen zou worden voor dit werk, als men het zo noemen mag. Maar ik kreeg een hevig officieel schrijven en werd daarna enige weken lang intensief onderzocht. Gewone medische keuring en vooral veel zogenaamd psychologische tests. In eerlijkheid moest ik bij verscheidene van deze zeggen dat ik de oplossing al kende (omdat ik ze met psychologen vrienden aan de universiteit als gezelschapsspelen had beoefend), wat de dokters in het begin zeer scheen te mishagen. Maar de wekenlange intimiteit met deze lieden bracht enige vriendschappen te weeg en na de tests vertelde een van hen mij dat ik nog vrij veel medesollicitanten had gehad, Maar vrij wel allemaal gekken. Een zelfs zozeer dat hij gezegd had dat hij solliciteerde omdat hij op zijn minst hoopte engelen te zien. Ik heb nu wel de gelegenheid om over deze opmerking na te denken. Toen mij dit verteld werd, was ik al midden in de maandenlange technische opleiding, die de tests volgde. Bij nader inzien was dit eigenlijk nog dwazer. Het was ongeveer zo dwaas als om iemand een cursus in geologie te geven voor hij begraven wordt. Dat bleek toen ik voor het eerst mijn raket te zien kreeg. Deze raketten zijn namelijk geheel op apen ingericht, dus al zou men in staat zijn het mechaniek gunstig te beïnvloeden in moeilijke ogenblikken, dan zou men toch nergens bij kunnen komen. Ik weet niet of de televisie installatie, waardoor men kon zien wat er buiten de raket gebeurde een speciale attentie voor mij was, of dat de apen die ook al voor ogen hadden.

 Mijn afscheid was tenslotte een vrij eenzame aan gelegenheid. Het moest geheim blijven. Als ik heelhuids zou zijn teruggekomen zou men een communiqué uitgeven ( dat u al in enige bladen hebt kunnen lezen). Er waren alleen technici aanwezig die nauwelijks notitie van me namen. Ze hadden het veel te druk met zenuwachtig te zijn en elkaar zenuwachtig te maken over de machinerieën. Pas toen ik helemaal opgesloten was in een hokje, dat niet veel verschilde van wat u in films over reizen naar Mars of de maan hebt gezien, alleen nauwer en minder gezellig kwam er een stem, nauwelijks verstaanbaar door de loudspeaker naast het televisiescherm, en vroeg hoe ik het maakte. Ik zei dat het best ging, vermoedend dat er wel een microfoon in de buurt zou staan. Ik vergat nog te zeggen dat ik zo vastgesnoerd was, dat ik nauwelijks mijn hoofd kon bewegen. Toen vroeg de hele zachte stem weer of ik er soms nog uit wou. Ik zei "nee ", en kreeg daarbij in mijn hoofd een van de onbenullige gedachten, die men zo vaak op moeilijke momenten heeft. In dit geval, dacht ik, dat ik haast niet durfde door complicaties te veroorzaken de technici nog nerveuzer te maken Dan ze al waren. Even later kwam er een bar lawaai door de loudspeaker en was ik erg dankbaar dat ze hem zo zacht hadden gezet. Dit prettige gevoel had ik niet lang want ik kreeg tegelijkertijd een onbeschrijflijk naar gevoel. Een snelle lift was er werkelijk niets bij. Het duurde misschien naar de klok niet lang, maar wel voor mij.

 Toen ik nu eindelijk weer enige rekenschap kon geven van wat er om me heen gebeurde, moest ik constateren dat dat niet veel was. Het televisietoestel was niet bijster interessant ingesteld. Ik zag niets dan een donkere hemel met helderder sterren dan ik gewend was. Ik had veel liever de aarde eens van deze afstand gezien en vervloekte de technici. Maar misschien had het niets anders gekund. Ik keek niet meer hard. Maar toen ik weer eens het scherm zag, verbaasde ik mij wel. Want de sterren waren zo veel groter geworden. Dit kon volgens mij niet, ook al was de raket uit de dampkring weg en ruimteschip geworden, zoals het in de verhaaltjes heet. Maar ja, ik was tenslotte de eerste die zo ver van de aarde weg was en dit zag, dus was het enigszins pedant om te beweren, dat alles anders was dan het had moeten zijn. Het gekste was nog niet gebeurd, want toen ik naar deze sterren, die steeds maar groter werden, zat te kijken, verscheen er op mijn televisiescherm een heel ander, ja, misplaatst beeld. Een wagen met twee wielen en twee paarden, waarin een vrouw met een lang gewaad aan stond. Ik dacht natuurlijk dat dit beeld als hallucinatie zou verdwijnen, Maar dat deed het niet. Het zonderlinge span bleef in het beeld, het scheen zich parallel met mijn raket en even snel te bewegen. Nu zag ik ook wat zij deed. Zij schoot een lang touw op in grote, gelijke bochten en even later zag ik ook waarom. Het was een lasso; op het televisiescherm zag ik de lus recht op mij afkomen en toen aan alle kanten tegelijk uit het beeld verdwijnen. Ik was gevangen; de raket gaf blijk niet meer regelmatig te bewegen, maar de schokken en de vertraging waren niet van dien aard dat ik me ook maar bij benadering er zo naar door voelde als door de start. Ik bleef kijken; zij begon haar lasso in te palmen en verdween toen achterwaarts uit het beeld, blijkbaar afremmend. Wat ik op het vrijgekomen scherm zag, was evenwel nauwelijks minder vreemd. Voor nog maar twee van de groot geworden sterren was plaats op het scherm en zij waren vastgehecht, of zaten in een donkere wand. Ik geloofde het eerst niet maar het werd zekerheid toen ik een deel zag van een groot luik dat in deze wand geopend werd. De vrouw op de wagen loodste mij blijkbaar daarheen. Na enige tijd zag ik de doorsnee van de wand, niet dikker dan een halve meter, tenminste bij deze opening, en een lichte, kale zaal waarin de raket zonder erge schokken stil kwam te liggen. Nu kwam er ook weer geluid door de loudspeaker. Het eerste wat ik hoorde was een mannenstem:“Wat ben je weer nieuwsgierig, Athena, had je dat ding niet gewoon terug kunnen gooien? “

 “Waarom, Apollo? “antwoordde een vrouwenstem, blijkbaar die van mijn vangster, "ga jij nu Hephaistos even halen, die kan zo’n ding open krijgen”.

 “Nogal interessant, de laatste keer dat je hem er een hebt open laten peuteren kwam er een aap uit, net als uit de mouw”.

 “Weet je geen beter mopje? Ga hem nou alsjeblieft halen, want ik heb het gevoel dat het deze keer iets bijzonders is. “

 “Vrouwelijke intuïtie”, zei Apollo smalend, maar het werd toch stil.

 Ik was dus niet minder dan bij de goden verzeild en wel bij dezelfden van wie men op school leert. Een waarschuwing tegen het onderschatten van het onderwijs. Even later hoorde ik Athena weer spreken en een andere mannenstem antwoorden. Ik hoorde enig technisch geluid aan de buitenkant van mijn vehikel en verwonderlijk snel ging het luik, waardoor ik naar binnen gekomen was open en een man met een baard en een blauwe overall keek naar binnen. " He " zei hij, "Athena, je had gelijk, er zit een mens in". Athena keek ook naar binnen en zei toen: " Kom er maar uit, je zult wel stijf zijn". " Ik zit vast", zei ik. " Hephaitos maakt je wel los". En hij deed het. Een gemoedelijk persoon, deze goddelijke monteur. Ik kroop naar buiten en stelde mij voor. Wat had ik anders moeten doen.? Ik ben niet godsdienstig opgevoed. Ik zag dat de man in de overall mank was.

 Athena nam me mee naar een zaal die er comfortabeler uitzag dan de ruimte waar de raket geplaatst was. Daar zaten nog een paar andere goden en godinnen. Ik stelde mij voor, zij niet. Dat bevreemde mij eerst, maar later begreep ik dat zij veronderstelden dat ieder mens hen wel bij name zouden kennen. Ik werd op een divan met kussens gezet en kreeg te eten en te drinken. Ik weet niet wat, maar het was bijzonder lekker en gaf me een bijzonder gevoel van fitheid, dat ik tot op de huidige dag heb gehouden. De conversatie ging overigens nogal moeizaam. Ik begon me al ongerust te maken daarover, toen er een nogal oude, forse heer met een lange baard binnen kwam. Iedereen stond haastig op, keek min of meer betrapt en begon druk te vertellen alsof zij zich wilden verontschuldigen. Ik was ook met de anderen opgestaan, de oude heer van wie zelfs ik begreep dat hij Zeus was, knikte mij minzaam toe en zei: "Zo, jonge man, ik zie dat ze je goed onthaald hebben."

 Daarna wendde hij zich tot Athena en zei: "Dochter, je hebt er goed aan gedaan hem binnen te brengen. De stervelingen zijn nu wel ver gekomen, maar het is nog niet het moment om actief tussen beide te komen. Maar aangezien we ze ook niet allemaal te pletter kunnen laten vliegen tegen het hemelgewelf, zoals met deze bijna gebeurd was, lijkt het mij het beste als we de hele zaal voorlopig wat uitbouwen. Het is wel een heel werk en vergt veel materiaal, maar Hephaistos zal het wel aankunnen. De anderen keken wat beteuterd, zij waren waarschijnlijk blij met wat afleiding. Ik werd naar mijn raket teruggeleid. Ik bedankte iedereen en kroop naar binnen. Daar zag ik dat het zwaar vastgeschroefde luik in de bodem van mijn verblijf, dat toegang gaf naar de machines, waar ik zoveel over geleerd had en niet aan mocht komen, open lag. Even later kwam het hoofd van Hephaistos er boven uit.

 “Hoe bent U daarin kunnen komen?” vroeg ik verbaasd.

 Hij lachte en zei: “Je denkt toch zeker niet dat een sterfelijk monteur een mechaniek kan verzinnen, dat ik niet direct door heb?” Ik heb daar beneden even een paar dingen versteld waardoor je heel wat comfortabeler zal worden. Goede reis”.

 Ik bedankte hem. Hij was een gemoedelijk persoon, deze godenmonteur. Ik werd door het luik in het hemelgewelf naar buiten geschoven en ik had inderdaad op mijn terugreis merkwaardig weinig ongemakken. Ik kon nadenken en verbaasde mij eerst dat de goden mij geen eed van geheimhouding hadden opgelegd of zoiets. Maar al spoedig begreep ik, dat dit onnodig was. Niemand op aarde zou me toch geloven, als ik alles vertelde. Ik heb tot nu toe steeds gezwegen, alleen moet ik steeds erg lachen als ik hoor over de theorie van het uitdijend heelal.

Tags: