Eindelijk verzonken in 'Wormen en engelen' van Maarten van der Graaf. En ontdekt dat hij van Goeree-Overflakkee komt. Of 'Flakkee' zoals ze in de Zeeuwse tak van mijn familie zeiden. Geen Zeeland, geen Zuid-Holland, er tussenin.
Ik herken het geloof dat ik daar leerde kennen. Nadat Willem, de enige zoon van mijn verre oom Kees op het eiland van Dordrecht was doodgeschoten door de Duitsers is dijkgraaf Kees nooit meer naar de kerk in Tholen geweest. Onze Lieve Heer had zich niet aan de afspraak gehouden, zei hij tegen de dominee.
Ook bij Maarten van der Graaf veel over dijken. Ik hoor Oom Kees zeggen 'd'n diek'. Oom Kees, die scheef liep, zoals ze zeiden 'als 'n krabbe'.
De hoofdpersoon fietst naar het dorp dat Stad aan 't Haringvliet' heet. 'Dan zal ik ons huis binnenlopen, waarna de ontvangst volgt; de bewegingen de dingen die we zullen zeggen, omdat we dat zo doen. Met mijn moeder praat ik Flakkees. Al ik bij mijn vader ben schakelen we over naar Nederlands. Ik weet niet waarom we dat doen, maar we kunnen het dialect allebei zo goed verbergen. Dit huis van mijn moeder maakt een motoriek en een manier van praten in me wakker die ik nergens anders bezit, het gaat om hoe de woorden proeven, welk gewicht ze hebben.'
En dan gaat het verder over de: 'Mensen die op 'het witte eiland' wonen, de bijnaam die drugsgebruik en -handel Flakkee bezorgde. Mensen die Jezus afzweren en harddrugs vinden. Mensen die harddrugs afzweren en Jezus vinden. Mensen die Jezus en harddrugs combineren.'
God is nooit ver weg. Ik lees voort.