Eilanden

 Eindelijk verzonken in 'Wormen en engelen' van Maarten van der Graaf. En ontdekt dat hij van Goeree-Overflakkee komt. Of 'Flakkee' zoals ze in de Zeeuwse tak van mijn familie zeiden. Geen Zeeland, geen Zuid-Holland, er tussenin.

 Ik herken het geloof dat ik daar leerde kennen. Nadat Willem, de enige zoon van mijn verre oom Kees op het eiland van Dordrecht was doodgeschoten door de Duitsers is dijkgraaf Kees nooit meer naar de kerk in Tholen geweest. Onze Lieve Heer had zich niet aan de afspraak gehouden, zei hij tegen de dominee.

 Ook bij Maarten van der Graaf veel over dijken. Ik hoor Oom Kees zeggen 'd'n diek'. Oom Kees, die scheef liep, zoals ze zeiden 'als 'n krabbe'.

 De hoofdpersoon fietst naar het dorp dat Stad aan 't Haringvliet' heet. 'Dan zal ik ons huis binnenlopen, waarna de ontvangst volgt; de bewegingen de dingen die we zullen zeggen, omdat we dat zo doen. Met mijn moeder praat ik Flakkees. Al ik bij mijn vader ben schakelen we over naar Nederlands. Ik weet niet waarom we dat doen, maar we kunnen het dialect allebei zo goed verbergen. Dit huis van mijn moeder maakt een motoriek en een manier van praten in me wakker die ik nergens anders bezit, het gaat om hoe de woorden proeven, welk gewicht ze hebben.'

 En dan gaat het verder over de: 'Mensen die op 'het witte eiland' wonen, de bijnaam die drugsgebruik en -handel Flakkee  bezorgde. Mensen die Jezus afzweren en harddrugs vinden. Mensen die harddrugs afzweren en Jezus vinden. Mensen die Jezus en harddrugs combineren.' 

 God is nooit ver weg. Ik lees voort.

De dood van Nederland

 ‘Dood werk’ heet de tweede bundel van Maarten van der Graaff. Zijn inzet komt snel: 'Het is een feit dat ik op het platteland dood / werd geboren en daarna nogmaals, stedelijk, / dood geboren ben.'

 Niettemin zijn er gedichten. Eerst in de vorm van lijsten. Na een Lijst van feiten is er een Lijst van mensen op de koude steen - bekend van Christus' lijdensweg, die er op weg naar zijn kruisiging even op mag uitrusten. Vanaf de koude steen praten Maarten van der Graaf en zijn vrienden tegen ons.

 Dan volgt al vlug een Lijst van dingen waar ik van hou. Hij houdt ervan aan de hongerkunstenaar te denken. De artiest bij Kafka die zijn vak zo goed verstaat dat hij in het achterste hok van het reizend circus belandt. Immers, wie kijkt er om naar een hongerkunstenaar, al is hij de beste ooit?

 Zo schrijft Maarten van der Graaff zijn niet-gedichten: Mijn vrijheid leg ik weg en de foto's / die ik van mijn vrijheid nam

 En dan, in een Lijst met bedekkingen, volgt: Nederland, ik schrijf dit niet zomaar, / ik zoek naar je dood en gemeenschap. / Ik zoek naar je waarheid en haat

 Ik kan hem geen ongelijk geven, Nederland is morsdood. Bekijk de televisie, sla een krant op, geen speld tussen te krijgen. Wat doet een dichter daar nog? Het tweede deel van de bundel heeft een unieke vorm: 'Geklokte gedichten'. Regels per tijdstip. En bewoners. Zo treffen we om 13:09

 een verzameling tijdridders rond een tafel / die nooit echt rond kan zijn.

En dan is het:

 13:13 mensen die seks hebben bereiden zich erop voor. / Mensen die een rijexamen afleggen, / bereiden zich hierop voor. / Mensen die een taartrecept uitproberen, / of een congres organiseren, / bereiden zich terdege voor. / Dat is de schoonheid van dit land.

Dank

 De rommelige bijlage die de Volkskrant heeft vernoemd naar een vergeten bergbeklimmer had afgelopen zaterdag een omslag met grauwe fotootjes van wat heette 'Vergeten schrijvers', met op hun kop gezette namen. Vergeten? Door wie? Waarom?

 Niet door mij, ik kende ze allemaal. Vergeten door de markt, leek me. Zoals eens schrijvers als Franz Kafka en John Williams werden vergeten. Ik dank de Volkskrant voor dit signalement van de werking van de markt in de letteren. Dank dus.

 Dit in navolging van de dichter Maarten van der Graaff die voor tijdschrift Tirade een 'Dankwoord' schreef: 'Sommige dichters hebben mij geleerd hoe misselijkmakend poëzie kan zijn. Hoe log en doods.' En hij bedankt de 'zeer geleerde handelsreiziger' Cees Nooteboom voor zijn 'comfortabele gedichten'. En schrijft verder zinnen als: 'Hester Knibbe, ik had uw werk, dat geprevel met die flinterdunne duurzaamheid, niet willen missen. Uw kleurloze algemeenheid die als menselijkheid poseert is adembenemend. Ik heb veel geleerd van de ongemeen brave verwijzingen die uw getrut moeten opleuken: Griekse goden (overeenkomst met vakantie-orakel Cees: het gymnasium heeft de poëzie veel aangedaan), Duino, Het Paradijs.' En komt dan op de gesel van het light verse. Waarna 'Een diepe buiging' voor 'de grootmoefti van de kitsch en ongeëvenaard Europees monumentenzorger Benno Barnard.

 Dan richt hij zich tot 'de bleke harpisten en zachtaardige vogelaars.' In het bijzonder de 'godfather van de wielewaalzoekers' Chris van Geel. En hij besluit met dank aan de winnaar van de Buddingh-prijs Henk Ester voor diens bekroonde bundel 'Bijgeluiden': 'beetje rondhangen, beetje loeren, bij het water, bij een boom, beetje nadenken - hé is dat niet een wielewaal?’

 Van der Graaff is bezig met een roman. Een dankroman?

Maarten van der Graaff (2)

 Let op waar je je stappen niet zet, het kan je dood zijn. Net als met woorden. Maarten van der Graaff die gisteren de Bud­dingh-prijs kreeg weet waar niet. Weet van reductie. En van overschrijding. Waar wel merkte ik twee jaar geleden, toen ik hem en Frank Keizer sprak over hun tijdschrift Samplekanon en later toen zijn bundel kwam. In de Sporthal bijvoorbeeld, een titel uit Vluchtautogedichten:

 Geen les is hetzelfde, maar buik, billen en benen komen altijd aan bod.

Som gebruik ik kleine instrumenten, doe enige loopoefeningen of

volg een circuit.

Ook voor dit geluk is strikte reductie van levensbelang.

 

 Doe dit vanuit je diepe stoel niet af als inspanninkje.

Neem vergif in op een hogere dierkunde.

 

 Kijk naar de met kraters van sterren gebutste plas duister boven je kruin.

En dan naar mijn lichaam in de ruwe handdoek

in Sporthal Lunetten.

Wat zijn wij, dat wij aan elkaar denken? 

Vluchtautogedichten

 Zo noemt Maarten van der Graaff zijn debuut. Een 'vrije en­cyclopedie', staat er bij. Een etalage zou beter zijn, voor een etaleur, die werkt met open doek. Nog bezig op sloffen op een vilten vloertje, terwijl het publiek al langs de winkel drentelt. Zijn Black 'n Decker ligt er nog, rommel die nog opgeruimd moet worden links en rechts.

 Rommel in gedichten lees je niet vaak. Ik bedoel niet de charmante schilderachtige troep die je in de fotografie zo vaak ziet, nee echte rommel, in onbestaanbare stapelingen van beelden, woorden en zinnen. Het erge is, je betrapt je erop dat je al lezend bezig bent chocola te maken van een pagina als:

  Boven de kringloop van regen en baby's vliegt de roerdomp.

De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.

Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage

heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.

Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.

'Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,'

zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).

Samplekanon (2)

 In m'n gesprek met de redactie van het nieuwe Internettijdschrift mijd ik open deuren als nieuwe generaties die zich verzetten tegen de gevestigde orde.

 Frank Keizer en Maarten van der Graaff: 'Waarom we dat hele ding uit de grond hebben gestampt is omdat we goeie teksten wilden brengen die nog niet gelezen werden.' Wat zijn samples in dit geval? 'Tekstflarden die wij afschieten. Niet perse puur tekst. Niet perse gerecycled materiaal. Daar zitten een hoop jonge mensen tussen die debuteren. Vaak wat nergens anders aan de orde komt en waarvan je denkt wat is dat goed. Zoals de shellshock poëzie van Koseoglu over het Koerdische grensgebied waarin werkelijkheden door elkaar staan.'

Vanavond is Samplekanon te horen in de Avonden. Met de initiatiefnemers en gedichten van de debuterende Caglar Köseoglu (zie eerder in Avondlog) en Hannah van Binsbergen (1993). Hier het slot van haar debuut.

 

III dit is redelijk serieus.

 wat ik diep in mijn gedachten weet

als ik ophoud steeds aan die vulkaan te denken

aan degene die geen naam mag hebben

ik kan verhulling niet verhelpen, geen uitdrukking

bedenken zonder me onsterfelijk

belachelijk te maken.

ik heb een smakelijke lijst gevonden spullen aangelegd

je kan het pluis van mijn gedachten kloppen en het nog

met winst verkopen ook

ik overdrijf niet

je verpleegt een kleinverdriet‑plantage

wat je hebt aan wereld is perfect

het respecteert je

en als er dan een honderdste oneigen als een kogel

slechts een splijtsel van je zegt

'dit is de wereld niet'

geloof het niet zoek

lachend naar een uitvlucht

 

Samplekanon (1)

 Een bezoek aan het redactielokaal van het inter­nettijdschrift Samplekanon.

 Driekwart jaar geleden bedachten Maarten van der Graaff en Frank Keizer het wapen en wat ermee afgeschoten zou moeten worden. In de woorden van Maarten: 'Je schiet iets aan flarden maar tegelijkertijd is een samplekanon ook een kanon dat met flarden schiet.' Zo heeft het eerste volwassen nummer als thema Asemis­ch schrijven. Ik had er nooit van gehoord, maar werd wijzer uit een stuk van Sake van der Wall over de Codex Seraphinianus, een dertig jaar oude encyclopedie die 'niet ergens over gaat'. Het boek ziet eruit als een echte en­cyclopedie, maar de uitleg is onlees­baar. En de afbeeldingen mysterieus. Beelden van een on­bekende wereld.

 Langzaam dringt het door. Ik denk aan de verknipte muziekpar­tituren van Arthur Slenk, aan klankdichter Jaap Blonk, die ook meedoet aan Samplekanon, aan Tonnus Oosterhoff die ondervraagd wordt. Asemische poëzie heeft de suggestie van tekst, maar leesbaar is ie niet. Het werk van Cy Twombly kun je asemisch noem­en, losgezongen schrifturen. Het lijkt tekst te zijn, een persoonlijk statement, een handschrift, maar beteke­nis is af­wezig. Niet ontcijferbaar, een lege code. Iets dat lijkt op tekst maar het niet is.

 Zit daar verzet in? Verzet tegen het al te begrijpelijke van deze donkere dagen? Later meer. Vrijdag zijn ze te horen in de Avon­den.