Een verhuiswagen rijdt langs de Elbe, de grens met de DDR. Er blijkt filmapparatuur en gereedschap in te worden vervoerd. De bestuurder repareert projectoren in plaatselijke bioscoopjes. Daarmee is de film, het onderwerp samengevat.
Het is hoogzomer. Eerst is er alleen de chauffeur, dan komt er een Volkswagen kever aan die zo de rivier in rijdt.
Een kalme opening. De inzittende hijst zich eruit. Heeft een koffer bij zich. Komt naar de kant. Dan blijkt dat hij eigenlijk zelfmoord wilde plegen na een mislukt huwelijk, maar terecht kwam op een zandbank. Vanaf dat moment is er een duo, waarin ik veel terug denk te zien van Wim Wenders en cameraman Robby Muller.
Die avond aan avond piekerden over hoe de volgende dag verder. Robby Muller: "Het is me ook overkomen dat ik na een hele dag draaien, gezegd heb: 'Ik red het niet meer.' En dat Wim toen zei: 'Ja, ik ook niet.' En dan gingen we verder."
Er is geïmproviseerd, dag in dag uit. Zodat je als kijker na een tijdje doelloos blijft staren naar de twee zwijgzame mannen en hun verhuiswagen.
Eigenlijk wordt de film gemaakt door het landschap, de gehuchten, de apparatuur, van projectoren tot een jukebox, een stokoude autoradio. Waartussen de camera van Robbie Muller, als een hond rondsnuffelt. En alles kan met licht. Binnen, buiten, met spiegelingen in autoruiten, in het donker, zonder dat je andere lampen ziet dan soms een tl-buis. De film staat buiten de tijd, tijdens deze eindeloze reis. Langzaamaan, overal kijken, de ritmiek van elektriciteitsmasten, het zondoorschenen geboomte boven de wagen.
En het blijft altijd 1976. Het Michelinmannetje in het front van de wagen wordt 's avonds verlicht. Slapen doen ze in de cabine.
In de Robby Muller tentoonstelling in EYE is een schitterende, gerestaureerde versie te zien.