Peenhaar

 Kwam ik uit school dan was mijn eerste vraag aan mijn moeder: 'Is ie thuis?' En dan zei ze: 'Zo praat je niet over je vader.' Immers, als ie thuis was ging ik liever op straat spelen. In Peenhaar van Jules Renard (1893) komt vrijwel de zelfde dialoog voor, maar daar is de moeder, aangeduid als madame Lepic, de kwade genius. Hij zegt tegen zijn vader, monsieur Lepic, met wie hij wandelt:

 'Ik heb een moeder. Die moeder houdt niet van me en ik niet van haar.'

 'En ik, denk je soms dat ik van haar hou?' zegt monsieur Lepic bars, vol ongeduld. Bij die woorden gaan Peenhaars ogen omhoog naar zijn vader. Hij kijkt lang naar zijn streng gezicht, zijn dikke baard waarin zijn mond zich als uit schaamte te veel gezegd te hebben terugtrekt, zijn gefronste voorhoofd, zijn kraaiepootjes en zijn neergeslagen oogleden die maken dat het lijkt of hij loopt te slapen.

 Een ogenblik houdt Peenhaar zich in. Hij is bang dat zijn diepe vreugde en de hand die hij beetpakt en bijna met geweld vasthoudt, dat het allemaal vervliegt. Dan balt hij zijn vuist schudt hem naar het dorp dat daar beneden in het donker ligt te dutten, en schreeuwt het vol pathos toe.

 'Snertmens! Dat ook nog. Ik haat je.' 

 'Hou je mond,' zegt monsieur Lepic. 'Het is je moeder, per slot.' 'O,' antwoordt Peenhaar, weer gewoon en voorzichtig geworden, 'ik zeg het niet omdat het mijn moeder is.' 

(vertaald door Thérèse Cornips, in 1969, tekeningen Félix Vallotton) 

Tags: