De muis van Jules Renard

 Vanmiddag, op de beurs voor Bijzondere Uitgevers in Paradiso - wees een wetende hand me op het boekje van Jules Renard - die van 'Peenhaar' - 'Zo zijn onze dieren'. Korte verhaaltjes met tekeningen van Bonnard en Toulouse-Lautrec (1904). Uitgegeven door Ijzer. Grote uitgevers doen dit soort boekjes niet meer, en het is zo leuk. Hier is de muis. Deze muis is een vrouwtje. Een liefdesgeschiedenis:

 'Terwijl ik, bij het licht van een lamp, als iedere dag mijn bladzij schrijf, hoor ik een licht geritsel. Als ik ophoud met schrijven houdt het ook op. Zodra ik weer over het papier kras, begint het opnieuw.

 Het is een muis die wakker wordt.

 Ik kan raden wat ze aan het uitspoken is bij het donkere hokje waar onze meid haar dweilen en bezems opbergt. Ze springt op de grond en trippelt over de plavuizen van de keuken. Ze gaat vlak langs de schouw, onder de gootsteen door, verdwaalt tussen de kopjes en borden, en na een reeks van verkenningstochten die ze steeds verder uitstrekt, komt ze in mijn buurt.

 Telkens als ik mijn penhouder neerleg, maakt die stilte haar ongerust. Telkens als ik verderschrijf, denkt ze misschien dat er ergens nóg een muis is, en dat stelt haar weer gerust.

 Dan zie ik haar opeens niet meer. Ze zit onder de tafel, tussen mijn benen. Ze loopt van de ene stoelpoot naar de andere. Ze strijkt langs mijn klompen, knaagt aan het hout ervan, of wipt er moedig en wel, bovenop!

 En nu moet ik mijn been niet verroeren, of niet te luid ademhalen: anders gaat ze er vandoor.

 Maar ik moet verderschrijven, en uit angst dat ze me zal overlaten aan mijn verdrietige eenzaamheid, schrijf ik kleine kriebeltekentjes neer, heel ragragfijntjes, net zoals zij knabbelt.'

(vertaald door Cees Buddingh in 1970)

Tags: 

Peenhaar

 Kwam ik uit school dan was mijn eerste vraag aan mijn moeder: 'Is ie thuis?' En dan zei ze: 'Zo praat je niet over je vader.' Immers, als ie thuis was ging ik liever op straat spelen. In Peenhaar van Jules Renard (1893) komt vrijwel de zelfde dialoog voor, maar daar is de moeder, aangeduid als madame Lepic, de kwade genius. Hij zegt tegen zijn vader, monsieur Lepic, met wie hij wandelt:

 'Ik heb een moeder. Die moeder houdt niet van me en ik niet van haar.'

 'En ik, denk je soms dat ik van haar hou?' zegt monsieur Lepic bars, vol ongeduld. Bij die woorden gaan Peenhaars ogen omhoog naar zijn vader. Hij kijkt lang naar zijn streng gezicht, zijn dikke baard waarin zijn mond zich als uit schaamte te veel gezegd te hebben terugtrekt, zijn gefronste voorhoofd, zijn kraaiepootjes en zijn neergeslagen oogleden die maken dat het lijkt of hij loopt te slapen.

 Een ogenblik houdt Peenhaar zich in. Hij is bang dat zijn diepe vreugde en de hand die hij beetpakt en bijna met geweld vasthoudt, dat het allemaal vervliegt. Dan balt hij zijn vuist schudt hem naar het dorp dat daar beneden in het donker ligt te dutten, en schreeuwt het vol pathos toe.

 'Snertmens! Dat ook nog. Ik haat je.' 

 'Hou je mond,' zegt monsieur Lepic. 'Het is je moeder, per slot.' 'O,' antwoordt Peenhaar, weer gewoon en voorzichtig geworden, 'ik zeg het niet omdat het mijn moeder is.' 

(vertaald door Thérèse Cornips, in 1969, tekeningen Félix Vallotton) 

Tags: