Roxy (1)

 Nog maar ergens halverwege ben ik in Esther Gerritsens Roxy en ze gro­eit me al boven het hoofd. Roxy heeft een dochter van drie. Haar man en zijn minnares zijn omgekomen in een auto-ongeluk. Wat nu? Wraak. Maar hij is dood. Waarheen de wraak?

 Ze gaat op zoek naar een vijand. Het wordt een klassieke tragedie. Wraak is hier geen gerecht dat koud gegeten wordt. Wraak is oeroud, gloeiend, onuitroeibaar en ongrijpbaar.

 Haar wraak krijgt de vorm van het vermoorden van onschuldige schapen. De godin Pallas Athene sloeg immers de held Ajax met waanzin waardoor hij een kudde schapen uitroeide maar dacht dat het vijandelijke troepen waren. En al lezend rijst de vraag of je je kunt verstoppen in waanzin?

 Of in Esthers woorden: 'Kan mijn hoofdpersoon in razernij een op het eerste gezicht afschuwelijke daad begaan, maar kunnen we haar woede begrijpen, haar wreedheid accepteren?'

 Als in alle boeken van Esther is de hoofdfiguur gespitst op wat van een mens verwacht wordt. Door de and­er. ­En daardoor weer door zichzelf. Wat zullen de anderen van Roxy denken? En dat terwijl mij lijkt dat verreweg de meeste mensen niet geven om wat anderen van ze denken. Met zichzelf bezig als ze zijn.

 Ik lees kriskros, als altijd. Eigenlijk kan ik niet lezen. Waarom ze Roxy heet? Haar ouders gaven haar die naam. Die van een sigarettenmerk, gevlogen door luchtschrijvende vliegtuigjes boven het strand. Later meer.