Van Oudshoorns lamp

 De dagboeken van J. van Oudshoorn (1934-1943) zijn een - zeer Haags – toevluchtsoord voor me. Twee delen uitgebracht door de bibliofiele Statenhofpers met zelfs zorgvuldig herdrukte brieven inclusief envelop en zo meer. Dit onder het kopje ‘Lamp’ (1941):

 ‘De professor was zóó verdiept in zijn lectuur, dat hij niet bemerkte, dat de lamp uitging! De meeste menschen praten zoo verder – over een leven nà dit leven, over wat er bij hun begrafenis al dan niet moet gebeuren – zonder, naar analogie van den prof, te beseffen er toe te zijn overgegaan iets te doen, waarvoor intussen de spontane mogelijkheid kwam te vervallen.

 M.a.w.: waar in het gewone laag bij de grondsche leven de lamp plotseling uitgaat, zal ook wel zonder meer met leven worden opgehouden = Terwijl bij zg. vluchten naar het bovenaardsche doorgepraat wordt, ook al schijnt voor praten als zoodanig het geestelijk licht sinds lang niet meer. In dit verband ook Hegels uiteen willen schuiven van een voorhang, dat een “Jenseits” zou moeten versluieren. Iets aan de overzijde, iets nieuws willen vinden, zonder te beseffen, dat dit neerkomt op een zoeken naar de bril die men nog op heeft = ‘

 ps. Ik kende een vrouw die in halfslaap op haar zolderkamer een gordijn opzij kon schuiven waarachter haar al lang gestorven moeder en grootmoeder geanimeerd in gesprek waren.