Er zijn websites. Die van Akane staat vol tegenstrijdigheden: 'Ik wil dood. Ik wil overleven..'
Yuka (21): 'Ik voel me beter als ik in mezelf snijd en m'n eigen bloed zie.'

Kosuke Okahara (2)

Een rekening kloppend zien te krijgen, daar lijkt het op. Door psychische pijn op te heffen met fysieke pijn. En wat je ziet op de foto's is de diepe zucht als 'alles weer klopt'.

Op brancardfoto's zie je de kick, een Japanse berusting, bevrijd van de druk.
Kosuke: 'Huiselijk geweld en verkrachting komen in Japan veel voor. De gesloten Japanse shamei-cultuur voorkomt dat ze aan het licht komen. De slachtoffers zwijgen. Maar de emotionele wonden nemen het zelfrespect weg. Normaal leven kan niet meer door depressies en aanvallen van manisch gedrag.

Zelfverwonding brengt opluchting en vermindert de stress.
Wordt ook gezien als een straf voor het 'waardeloos zijn'. En zo bevestigt dit gedrag je eigen waardeloosheid.'
Gedrag dat je bestaan ontkent wordt juist de bevestiging ervan. Het 'zie je wel'.

Een mens is een wonder van aanpassing. Ziekten, handicaps, wat er al niet overwonnen kan worden. Maar dat kan alleen wanneer het zelfrespect behouden blijft. Wanneer dat je ontnomen is sta je machteloos.
En dan zo'n fotograaf. Andermans pijn kun je niet voelen. Wat ziet de camera? Het probleem is de esthetiek van het leed. Wie een zieke fotografeert maak 't al vlug te mooi.
Maar hoe dan?
Morgen na tienen in de Avonden meer.

 

Aina op het station (fragment)

Kosuke Okahara (1)

Vanmiddag op de zolder van de Rotterdamse Kunsthal geweest waar achter de zelfportretten van Philip Akkerman de foto's van deze Japanse (1980) verslaggever hangen waarmee hij zelfverwonding in beeld brengt.

Hij doet projecten. In Rotterdam hangt wat hij opnam tijdens het vier jaar lang volgen van zes jonge Japansen die zoals hij het zegt 'in zelfverwonding een overlevingsmechanisme hebben gevonden'.
Alleen zo vinden ze 'ibasjo', je zou vertalen 'behagen', de Japanse omschrijving van het je fysiek en emotioneel 'together' voelen. Dit is hun bizarre manier.
De meisjes hebben allemaal wat 'meegemaakt', variërend van huiselijk geweld tot verkrachting of pesten op school. En als antwoord beschadigen ze zichzelf. Ze snijden tot er bloed komt.
Waarom? En hoe werkt dat?
Zoals ze het - in de bijschriften - zeggen klinkt het als junks na een shot. Alleen er gaat niets in je, er komt iets uit, je eigen bloed. Dat geeft de opluchting, dat breekt de spanning. 
 

Je snijden om je goed te voelen.  
Ik kan het niet losdenken van het strenge Japan waar je slaagt of mislukt. Waar bijvoorbeeld een ongetrouwde vrouw een hopeloos geval is en blijft.
Later meer. 

Vrij Denken

Nog hoor ik een Duits mannenkoor die tekst op de radio zingen, hard en zuiver. En opeens wist ik dat ik een zelfstandig brein had waarmee ik de vreselijkste dingen kon denken zonder dat iemand het merkte. Ik kon inwendig mijn tirannieke vader vervloeken ('klootzak, ik krijg je nog wel').

En nu is de vpro is op het merkwaardige idee gekomen een heel jubileum-festival te organiseren over het thema 'Vrij denken'. Arnon Grunberg en ik zullen ook wat zeggen. 't Gebeurt op 29 mei in de Beurs van Berlage.
Waar zou 't over gaan?
De kern van het vrij denken ligt toch immers in de stilte van de onvrijheid. Zodra moderne Westerse mensen zich er luidop aan overgeven krijg je het zelfde wat je alle dagen al hoort, lijkt me. Ik hoop dat die 29ste mei een pleidooi oplevert voor bescheiden gebruik. Wieweet stilte.
De oorspronkelijke tekst van het lied komt trouwens uit Zwitserland: 'Die Gedanken sind frei, wer kann sie erraten,

en dan:

sie fliegen vorbei wie nächtlicheSchatten.
Kein Mensch kann sie wissen, kein Jäger erschiessen
es bleibet dabei: Die Gedanken sind frei!
 
We zijn rond 1800. Laatste couplet:
 
Ich liebe den Wein, mein Mädchen vor allen,
sie tut mir allein am besten gefallen.
Ich sitz nicht alleine bei einem Glas Weine,
mein Mädchen dabei:
Die Gedanken sind frei!
foto Serge Ligtenberg, in de damp het silhouet van Sarah Hart

Rudy Kousbroek kookt

Rudy Kousbroek wist niet alleen alles, hij kón ook alles. Z'n lezers is ‘t bekend: op het Internaat werd hij in z'n jeugd IWA (Ik Weet Alles) genoemd, maar zijn handvaardigheid is minder bekend. Hij heeft me leren schieten met een perfecte, zelfgemaakte katapult.

In het nieuwe nummer van tijdschrift De Gids dat - een jaar na z'n dood - aan hem gewijd is heeft z'n vrouw Sarah Hart zeven foto's van Rudy toegelicht. En daar zie je het meteen: altijd in de weer. Hij wist van oude auto's, speelde piano, bouwde zelf z'n boekenkasten (op de gewenste maten), hij heeft zelfs een heel huis gebouwd. En, hij kon koken, Indisch natuurlijk. Zonder recept, dus steeds anders.
Dat had hij uit het Jappenkamp, je kookte wat er was.
Sarah verhaalt hoe hij tijdens een demonstratie op de Pasar Malam in Den Haag een gezelschap uiterst deskundige Indische dames verbijsterde door in z'n schotel corned beef en jackfruit te verwerken. Interrupties duldde hij niet. En waarachtig, toen ie klaar was stonden de dames in de rij om te proeven.

Verder mooie stukken van K.Schippers en Tijs Goldschmidt, die de Kousbroeklijn inzake religie kundig doorzet tegen Bas Heijne en Willem Jan Otten. 
 

Spargelzeit

Leerde ik kennen toen ik als kind met m'n ouders in Duitsland kwam. Er was iets geheimzinnigs mee. In Nederland bestond geen aspergetijd.

Later leerde ik dat deze fallische groentecultus iets met ‘de nieuwe lente' van doen had. Net als het oprichten van versierde Maibaumen - meibomen - op dorpspleinen. 
Mijn vader - leraar Duits - droeg m'n moeder op ook asperges op te dienen. En vandaag herhaalde zich dat op mijn bord precies als toen. Zonder dure mayonaise. Aardappels, geprakt ei en nootmuskaat die nog uit Nederlands-Indië was meegekomen in een verroest blikje. En dan wat 'botersaus' heette, maar gesmolten margarine was. Hoe je het moet eten is me nog steeds een raadsel. 
Maar zeg eens, wat zijn die asperges groot geworden..
 

maar 's nachts...
August Strindberg (1849-1912), musicerend bij een petroleumlamp... lees z'n 'Inferno'

Kaars

Het elektrisch licht heeft de kaarsvlam niet gedoofd. Integendeel, van het Kerstfeest vond ie z'n weg naar bomen waartegen jonge motorrijders zich te pletter reden, naar bedden van geliefden. Wat doet de kaarsvlam? Wat deed ie?

Er is over geschreven. In nummer 116 (2006) van het tijdschrift Raster - dat online wederopstond - vind ik 'mijmeraar van de kaars' van Gaston Bachelard, vertaald door Nicolaas Matsier.
Hoe angstlijder August Strindberg een nacht doorbrengt bij een 'blèrende kaarsvlam' (lees zijn angstboek 'Inferno', een Privédomein uitgave) in de tijd dat een kaarsvlam heel je houvast was in de nacht:

'We zouden met gemak talrijke documenten bijeen kunnen brengen over de subtiele angst bij zacht licht. De vlam van de kaars onthult voortekens. Laten we er een snel voorbeeld van geven.
In een nacht van ontzetting schiet de lamp van Strindberg uit:
Ik ga het raam openen. Een luchtstroom dreigt de lamp te doven. De lamp begint te zingen, te zuchten, te blèren.
Omdat de vlam blèrt, heeft zij een kinderverdriet, dus is het hele universum ongelukkig.
(...)
Op een andere bladzij van dezelfde vertelling verdenkt Strindberg het licht van onwil: het is een geluid van een kaars dat ongeluk voorspelt: Ik steek de kaars aan om de tijd lezend door te brengen. Er heerst een sinistere stilte en ik hoor mijn hart kloppen. Dan geeft een droog geluidje me een schok als een elektrische vonk.
Wat is dat?
Een enorm brok kaarsvet is net op de grond gevallen. Verder niks, maar bij ons was dat een doodsdreiging.'
 

André Breton (1896-1966),  leider van de surrealistische beweging

Emiel van Moerkerken (3)

Was de enige Nederlandse surrealist die contact had met een paar Parijse voormannen van de beweging, zoals Man Ray en Brassai.

Hij werd als cameraman opgeleid door Joris Ivens, werkte van 1935 tot 1938 vaak in Parijs, sprak Frans en was communist, zoals het een kunstenaar in die dagen betaamde
Zo kwam het dat hij in 1938 aanbelde bij de paus der surrealisten André Breton, die hij in 1936 al eens had ontmoet. Nu met de bedoeling z'n foto's afgedrukt te krijgen in het blad van de beweging 'Minotaure'.
Dat lukte niet, om de achteraf komische reden dat Breton juist daarvoor met Trotski de Federation Internationale de l'art Revolutionaire Independant had gesticht en dus geen Stalinistisch communist meer was.
Er lag een manifest.
En of Van Moerkerken maar wilde tekenen.
Maar die was en bleef - zo besloot hij ter plaatse - Stalinist.
Z'n foto's werden prompt geweigerd.
 

Café aux petits garcons (1936)

Emiel van Moerkerken (2)

De enige echte surrealist die ik heb leren kennen was de dichter Louis Lehmann. Zijn surrealisme was de levenshouding van iemand die de wereld niet anders kan zien dan als onbegrijpelijk.

De medemens, de wereld komen hem onoverkoombaar vreemd voor... Niets mooier dan Louis vol verbazing te horen verzuchten 'Hé?!'
En zo anders dan zijn vriend Emiel van Moerkerken die in 1992 verklaarde: 'Mijn surrealisme heeft te maken met het verzet tegen mijn vader en met weerzin tegen de burgers in Haarlem.'
Hij had als enige Nederlander al in de jaren '30 contact met enkele Parijse surrealisten en dat zie je.
De ontdekking van de rommelmarkt met z'n onverwachte vormcombinaties als een bron van kunst. Wat leidde tot sculpturen van ongerijmde voorwerpen gemaakt samen met de dichter Chris van Geel, zoals een serie met diens kop naast een vogelkooi en een poppenhoofd. 
Voor mij schokkend - verklaring te vinden in de catalogus - is 'Café aux petits garcons' (1936). Een kop koffie met inplaats van koekjes poppen van kleine jongetjes op het schoteltje.
Het blijkt te berusten op ware verhalen van Jef Last en André Gide over hoe je in Marokko in de jaren '30 bij de koffie een jongetje kon krijgen. Sterker nog, in het Fotomuseum staat een vitrine met de oorspronkelijke jongenspopjes en de koffiekop. Hoe surrealisme ernst werd..

Morgen na 22.00 in de Avonden meer.

schip van de Koninklijke Nederlandse Pakketvaart Maatschappij op de rede van Tandjong Priok - jaren '20?

Extaze (2)

Extaze, het meest Haagse onder de literaire tijdschriften is verschenen. Kees Ruys schrijft erin over de brieven van de zeer Haagse schrijver F. van den Bosch (1922-2001).

Een Indische jeugd, ja wat dacht je. Dat maakt Den Haag zo uitgestrekt, heel Indië zit er aan vast.
Van den Bosch had een verhouding met de ook Indische schrijfster Aya Zikken. Tussen hun brieven vond Ruys een onbekend verhaal over de schelm Boulie Goupil.
Zo maak ik kennis met het 'straatslang' dat Indische en Hollandse jongens in de jaren '30 met elkaar spraken: petjoh. Een taal waarin je volgens Van den Bosch kon 'opsnijden, aanhitsen, jammeren en vloeken, wat wil men meer.' En dan heb je het Nederlands helemaal niet meer nodig. Het lijkt wel het Osdorp van nu. Van den Bosch moest in z'n boeken met tegenzin een verklarend woordenlijstje toestaan.
Petjoh betekent mekaar pikken (als kippen) of beledigen, maar met elan, in stijl. Rudy Kousbroek was een fan. Ook om de muzikaliteit van de taal. En, Goupil is een onuitputtelijke leverancier van rake en scabreuze opmerkingen.
Onthou dus: Ajo - kom op; Akaltje - slimmigheid of list; Brani - moedig; of Rèwèl die gèn, botjèl sijn kop - een ouwehoer die vent, sla zijn kop kapot.
 

de schoenen (1938)

Emiel van Moerkerken (1)

Was vanmorgen in het Haags Fotomuseum bij de Emiel van Moerkerken-tentoonstelling.

Een fotograaf (1916-1995) aan de Nederlandse tak van de historische avant-garde. Een Hollandse volger van grote mannen als Man Ray, Brassai en Moholy-Nagy.
Z'n werk verraste me. Er zit epigonisme bij - clair obscur afbraak in Parijse wijken, al te stemmige Amsterdam-beelden - maar ook eigens.
Wat Van Moerkerken uniek maakt zit hem in de meisjes, hij was een meidengek, maar met een eigen estetiek. In deze foto van Katja V. (1938) gaat hij aan z'n model voorbij en belandt hij bij de schoenen van haar vriendin.
Wat een schoenen! Kunststof van voren denk ik, te oordelen aan de ingeponste gaatjes en linnen aan de achterzijde. En dan die raadselachtige bandjesluitingen met de veters...
Katja droomt van die schoenen. Misschien mag ze ze soms lenen, ik hoop dat haar maat klopt met die van de vriendin.    
 

Pagina's