September

 De tuindeur klappert, de zon staat laag. Zo kan ik moeiteloos overstappen in een titelloos gedicht van Alexander Koesjner dat juist voorbij komt:

 ‘Kordaat neemt september een bezem ter hand,/ Veegt kevers en torren voorgoed aan de kant,/ En spinnetjes in hun doorzichtige webben,/ Geknakte libellen zieltogende wespen,/ Hun voelsprieten, grijpertjes, pootjes en kaakjes,/ Loepzuivere lenzen, als cirkels zo rond,/ Hun ragfijne vleugeltjes, stuifmeel en haakjes,/ Het frêle gefrutsel dat ooit zo mooi stond.

 Kordaat neemt september een bezem ter hand/ Veegt restjes chitine weg, ruches en kant,/ Alsof een balletmeester zijn ballerina's/ Van 't podium stuurt, hen verjaagt uit de broeikas./ September begint met een bezem te vegen,/ En alles verdwijnt in de verte, in mist,/ In herfstige nachten en inktzwarte regen:/ De hoop op geluk, waaiers, franje, batist.

 Vaarwel vreugd! Tot bij de begraafplaats der vliegen,/ Het kerkhof der wespen, het graf der libellen,/ Tot in Pluto's rijk, tot aan tranen die vlieten/ En uitbloeiende Elyseïsche velden.'

 Aldus uit de bundel 'Apollo in de sneeuw' in de vertaling van Peter Zeeman. Het wachten is nu op November, de maand van Franz Kafka.

Dromende vlinder

 De bundel Apollo in de sneeuw van de Rus Alexan­der Koesjner (1936) bevat een keuze van vertaler Peter Zeeman. In 'Nachtvlinder', droomt zo'n vl­inder dat ze bij klaarlichte dag een slapende dichter bekijkt:

 'Mijn jasje hangt vanaf een stoel dood naar beneden.

Een vlinder is op een revers in slaap gegleden.

Daar rust ze, uitgeput, in helder licht verstrikt.

Waar slaap haar trof heeft ze de vleugels uitgeslagen.

Toe, wek haar niet: ze is vermoeid, net ingeslapen.

En met een gele draad is haar dessin doorstikt.

 

 Op haar die 's nachts kan zien moet licht wel overkomen

Als een gordijn, gesloten, maar met purperen zomen,

Een soort van deken waar ze veilig onder ligt.

Ze droomt een kamer met een slapende, gedompeld

In golvend duister, dat hem wreed heeft overrompeld.

En op die drenkeling houdt zij haar blik gericht.'

Zwaluw

 Er zijn momenten dat je tussen hemel en aarde staat. Er­gens op een rand, aan een raam. Tussen vloer, hoogte en diepte. En dat het om het even lijkt, in de zwaluwentijd. Je ziet ze buitelen en scheren. En er is denk je maar dat nodig of je gaat ze achterna. Daarover schreef de Rus Alexander Koesjner een gedicht:

 'Wat zijn we er toch vast van overtuigd/ Dat wij van een balkon een zwaluw/ Niet zomaar achterna gaan, onbesuisd,/ Halsoverkop, verstrooid, vol afschuw,/ Toevallig, onnadenkend, ongeremd,/ Met opzet, halfbewust, verbeten.../ Wie heeft die overtuiging ingeprent/ Die wij van oudsher in ons weten?

 Alleen een wiebelige reling scheidt/ Gezond verstand van pure waanzin/ Anders zou zelfs een mummie, neergevlijd,/ Een zwaluwvlucht niet kunnen aanzien./ Het kleine witgerugde silhouet/ Zou zij dan volgen, halfbezeten,/ De laatste, zoete angst opzijgezet,/ Verwonderd om haar eigen schreden.’

 Het staat in z'n bundel Apollo in de sneeuw, pas vertaald door Peter Zeeman. Uitgegeven bij Koppernik.