De vrouw op de trap ten einde

 De roman van Bernhard Schlinck uitgelezen. Met woordenboek en denkpauzes. Een verhaal over het verlangen naar en de onmogelijkheid van nabijheid.

 De uitzonderlijk mooie Irene is gevlucht, met medeneming van De vrouw op de trap, het schilderij dat de inmiddels wereldberoemde schilder Karl Schwind van haar maakte. Ze heeft zich verborgen op een eilandje voor de Australische kust.

 De advocaat die het verhaal vertelt ontdekt haar daar.

 Eerst is Irene louter een schilderij, begeerd door haar echtgenoot, die haar liet schilderen, en daarna door de schilder. De advocaat moet het eigendomsrecht te regelen. Wie krijgt het schilderij, wie de vrouw? Prompt wordt ook hij verliefd op haar. Maar zij niet op hem.

 Waarna ze verdwijnt, voor vele jaren. Irene trok zich terug in een heel eigen wereld. Of daar nog een man, bij kan is de vraag. Hoe vergaat het een uitzonderlijk mooie vrouw, levenslang halverwege de trap?

 Volgt een tragikomische ontknoping op het eilandje als de mannen daar alledrie opduiken. Wat wilden ze ooit van haar? Wat willen ze nu? Wat wil Irene?

 Ze is ernstig ziek. De advocaat - veruit de saaiste van de drie - blijkt de enige die het schilderij te boven komt. Zijn, en dan ook haar, pogingen tot nabijheid, dwars door de ziekte heen grijpen aan.

 Vooral als de zieke Irene hem vraagt voor haar bedtime stories te verzinnen over hoe een gezamenlijk leven geweest zou zijn. In de advocaat ontwaakt, tegen de klippen op, een verteller.

Vrouw op de trap

 Een roman waarin alles draait om een schilderij. Dat is de laatste van Bernhard Schlink, De vrouw op de trap (2014). Wat er gebeurt is niet anders dan magie. De afbeelding wordt dat waar twee mannen om vechten. Ik begreep weer waarom Papoea’s niet op de foto willen: zieleroof. 

 De mooie Irene trouwde met een Frankfurter zaken­man die haar laat schilderen, waarna de schilder haar verovert. Maar dan blijkt dat het schilderij, waarop ze naakt een trap afdaalt steeds beschadigd wordt, zodat de schilder het moet komen restaureren. Het lijkt of er een vloek op rust: een been, een borst, de schaamstreek, de ene beschadiging na de andere. De schilder beschuldigt de zakenman en omgekeerd. Het wordt een rechtszaak. Wie is hier gek?

 Het lijkt of de vrouw nooit beneden aan de trap mag aankomen.

 'Ziet u hoe ze de trap afdaalt?, 'vraagt de zakenman. 'Beheerst, gelaten, rustig? Toen ze beneden aankwam was het gedaan met haar rust. Omdat ze daar waar ze aankwam niet hoorde.'

 Het lijkt te gaan om het bezit van het schilderij eerder dan van de vrouw. Eigenlijk hoort ze voor altijd op de trap te blijven, tussen hemel en aarde.

 Tenslotte moet de advocaat - die ook verliefd op haar wordt - een contract op papier zetten: de ene man krijgt het schilderij, de andere de vrouw. En dan neemt Irene het zelf over. Ze verlaat de drie mannen en verdwijnt, met het schilderij. Haar ziel neemt ze mee.

 De vrouw op de trap, vertaald bij Cossee. Beter nog dan Schlincks fameuze Die Vorleserin.