De mooie Irene trouwde met een Frankfurter zakenman die haar laat schilderen, waarna de schilder haar verovert. Maar dan blijkt dat het schilderij, waarop ze naakt een trap afdaalt steeds beschadigd wordt, zodat de schilder het moet komen restaureren. Het lijkt of er een vloek op rust: een been, een borst, de schaamstreek, de ene beschadiging na de andere. De schilder beschuldigt de zakenman en omgekeerd. Het wordt een rechtszaak. Wie is hier gek?
Het lijkt of de vrouw nooit beneden aan de trap mag aankomen.
'Ziet u hoe ze de trap afdaalt?, 'vraagt de zakenman. 'Beheerst, gelaten, rustig? Toen ze beneden aankwam was het gedaan met haar rust. Omdat ze daar waar ze aankwam niet hoorde.'
Het lijkt te gaan om het bezit van het schilderij eerder dan van de vrouw. Eigenlijk hoort ze voor altijd op de trap te blijven, tussen hemel en aarde.
Tenslotte moet de advocaat - die ook verliefd op haar wordt - een contract op papier zetten: de ene man krijgt het schilderij, de andere de vrouw. En dan neemt Irene het zelf over. Ze verlaat de drie mannen en verdwijnt, met het schilderij. Haar ziel neemt ze mee.
De vrouw op de trap, vertaald bij Cossee. Beter nog dan Schlincks fameuze Die Vorleserin.