Zo is het ook met brieven. Je schrijft een brief, maar de aangeschrevene - natuurlijk een vrouw - laat niets terughoren. Op Kerstavond als ik meedoe aan de voorstelling over 'Brief in flesje' van de Vorlesebühne in de Utrechtse molen De Ster meer daarover. Brieven. Nu de brieven van Bruno Schultz (1892-1942), schrijver van de magistrale 'Kaneelwinkels' er ook in vertaling zijn lees ik over de brieftwijfels van Schulz: 'Uw zwijgen doet bij mij de vraag rijzen of er niet iets zou zijn dat u mij kwaijk neemt. Ik ben mij niet bewust van enige schuld jegens u en ik heb er het raden naar waarmee ik u gegriefd zou kunnen hebben.'
En nu het begin van een brief die ik in een fles verstuurde en die ik morgen zal voorlezen:
'Hoe vaak heb ik niet gedacht dat je wel boos op me zou zijn en daarom niet antwoordde. Je bent een groot niet‑antwoordster. Over mijn brieven in flessen aan jou hoef ik me dus geen zorgen te maken. 'Zie je wel, ze antwoordt niet, Natuurlijk niet, had ik wel gedacht.' Of, hoopvoller: 'Dat is ook het beste. Het onzegbare blijft ongezegd.'
Hoeveel flessen gooien wij al jaren in zee? Met daarin het ongezegde, ongeschrevene. Bedoeld voor het rijk van het ongewisse? Een dag later vond ik aan de waterlijn voor het eerst een antwoord. In de branding lag een fles. Een fles met een ziel was het. Eerst moest de fles kapot. Zoals je een envelop openscheurt, maar erger.
De spanning steeg. Aan wie was hij gericht? Aan mij, aan wie anders. Morgen meer.