Op de koude helling

 Ofwel 'viagg' invernal' - wat winterreis zal betekenen - is de bundel van Esther Kinski waarin ik blijf staren. En nu weet waarom. Om wat ik elke dag ook doe, kijken naar wat op mijn balkon groeit in potten en plantenbakken. Esther bewandelt hoge bergen, maar de aandacht is de zelfde.

 Elke dag terugkeren naar een opschietend plantje, verdiept in de vraagstukken van water en licht. De redenen van kwijnen of bloeien. Al wat je niet zult weten. Het spel van de vergeefsheid. Esthers bergen hebben haar niet nodig, die doen alles zelf. Ze hoeft geen schaar of gieter mee te nemen. Soms ach­tervolgt ze een vogel:

 OP zoek naar de ontsnapte putter/ in het gebergte terechtgekomen/ op grimmige grond/ rust en stilte gevonden/ tussen zwarte heidedebrem/ nu merk ik pas hoe moe ik ben

 neergezegen in het zicht/ van nesten van de hennepvink/ had ik een droom : iemand/ wieweetwie zijn gelaat/ zag men niet/ droomde van boten/ die keerden zich zwijgend/ van hem af

(vertaald door Annelie David)

Tags: 

Brandnetels

 Brandnetels, daarmee opent 'Op de koude helling', de dichtbundel van de Duitse Esther Kinski. Vreemdsoortig reisverhaal. In de ondermarge loopt er een parallel prozaverhaal onderdoor. Ik kreeg hem bij het nieuwe nummer van Tijdschrift Terras.

 'Aan de rand van de weg/ kwam ik iemand tegen hij trad/ uit de netels - manshoog en moe van het groen van regenrijke/ zomers - en hij kleedde zich uit/ en zei ik ben het (...)'

 Onmiddellijk dacht ik aan mijn jongere broer en het papierdorp Eerbeek, op de fatale dag dat wij van school kwamen, langs de Eerbeekse beek, die elke dag een andere kleur had door de verfstoffen die de fabrieken gebruikten. Met ons mee liep het jongetje Michiel. Op het steigertje aan de beek, temidden van hoog opschietende brandnetels, bleven we staan en keken naar de roodgekleurde vellen - het milieu bestond nog niet - die voorbij dreven.

 En toen gebeurde het. Mijn broer kon zich niet inhouden en gaf Michiel een zetje zodat hij voorover in de rode drab tuimelde. We hesen hem op de kant, maar wat volgde was nog vreemder. Mijn broertje barstte in een vreemd gegil los en begon zich door de brandnetelbossen te wentelen. Pijnlijk, dat wisten we.

 'Kijk, ik gooi me in de brandnetels,' riep hij steedsmaar.

 Wat hij deed was een vorm van zelfbestraffing. Waarom? Ik wist het, hij was zich van het kwaad bewust dat hij had aangericht. En waarvoor mijn vader hem zeker zou straffen.

 Achteraf deed het denken aan de zelfgeselingen bij processies. Toch ook bedoeld om ergere straffen te voorkomen.  

 De winterse voetreis die Esther Kinski beschrijft brengt de lezer - in de vertaling van Annelie David - terug naar de brandnetels. 

Tags: