'Aan de rand van de weg/ kwam ik iemand tegen hij trad/ uit de netels - manshoog en moe van het groen van regenrijke/ zomers - en hij kleedde zich uit/ en zei ik ben het (...)'
Onmiddellijk dacht ik aan mijn jongere broer en het papierdorp Eerbeek, op de fatale dag dat wij van school kwamen, langs de Eerbeekse beek, die elke dag een andere kleur had door de verfstoffen die de fabrieken gebruikten. Met ons mee liep het jongetje Michiel. Op het steigertje aan de beek, temidden van hoog opschietende brandnetels, bleven we staan en keken naar de roodgekleurde vellen - het milieu bestond nog niet - die voorbij dreven.
En toen gebeurde het. Mijn broer kon zich niet inhouden en gaf Michiel een zetje zodat hij voorover in de rode drab tuimelde. We hesen hem op de kant, maar wat volgde was nog vreemder. Mijn broertje barstte in een vreemd gegil los en begon zich door de brandnetelbossen te wentelen. Pijnlijk, dat wisten we.
'Kijk, ik gooi me in de brandnetels,' riep hij steedsmaar.
Wat hij deed was een vorm van zelfbestraffing. Waarom? Ik wist het, hij was zich van het kwaad bewust dat hij had aangericht. En waarvoor mijn vader hem zeker zou straffen.
Achteraf deed het denken aan de zelfgeselingen bij processies. Toch ook bedoeld om ergere straffen te voorkomen.
De winterse voetreis die Esther Kinski beschrijft brengt de lezer - in de vertaling van Annelie David - terug naar de brandnetels.