Meer aardappelen

 Aardappelen Piet staat niet meer op de markt. Te oud. Zijn zoon Peter nog wel. Piet, die ik altijd onthouden zal om dat ene antwoord. Er kwamen steeds meer deftige dames op de markt die aardappelen aanwezen. De aardappel was niet meer zomaar wat, met een Opperdoes kon je aankomen als je mensen te eten kreeg. En dan vroegen de dames: 'Waar komen deze vandaan?' Waarop Piet - ik zag het aankomen - antwoordde: 'Uit de grond mevrouw.' Aan Piet dacht ik bij de brief die Karel van den Woestijne in 1901 schreef aan z'n vriend Adolf Herkenrath. En waarin twee boeren - vader en zoon, die zijn land bewerken in Sint‑Martens‑Latem worden aan­gehaald. Het regent:

 "- Van dat labbers-weer is eerste klasse voor de pataters in droog land,' zegt verstandig de oude boer die in mijn veld delft; hij heft zijn hooft op, en zijn ogen gaan van aarde naar hemel en dan naar mij; en hij knikt met wijs voorhoofd; 'Gij zult hier een goede vrucht winnen.'

 Ik sta, en zie ze in de aarde gaan, vlijtig spitten. Zij gaan onder den hemel van den avond en krommen hun rug. En, met een flits der spa ploft de aarde, omgekeerd, snee voor snee, in dikke sneden. De eene boer is oud, met jong lijf, en de vader van den ander, die ros haar heeft en lachende tanden. De oude is klein, schraal tegen 't geluchte, in den grond, zo een met de grond; hij vertelt met zoete stem en als at hij een sappige peer: "t Ligt hier hooge en drooge; maar peins niet dat het straatland is: gij wint hier een goede vrucht, en toekomend jaar zal het koren er brieschen.'

 En zo door. 'Gij moet het land zijn gerief geven: een patater barrevoets planten is niets weerd, als ge hem geen courage geeft met hem wat beer te geven, of een snuifken guano.'

 Ja, beer is uit de beerput en guano is Chileense mest.

 En kijk: de oude boer die hier spreekt werd door Karels broer Gustaaf geschilderd in 1911.

Geluk en aardappelen

 Sint-Martens-Latem, nabij Gent aan de Leie, was rond 1900 het schildersdorp waar het Vlaamse expressionisme bloeide, Met nog altijd geëxposeerde schilders als Permeke, Gustave De Smet, Frits van den Berghe en Gustaaf van de Woestijne. Van wiens broer Karel ik een boekje bezit met brieven, geschreven in 1901 aan een vriend. Hij was toen 23 jaar oud.

 De 'Laethemse brieven' van Karel, die ook groenten verbouwde, zijn levendig met af en toe wat scheutjes Tachtigers-proza. Maar vooral een ode aan het oud-Vlaamse dorpsleven. Op 15 april schrijft hij:

 'Het druilen van dijzige dage voorbij, en het mopperen in gesloten kamers.

 Thans ben ik weer te huis, en adem; gij loopt met mooien das door steedsche straten. Ik echter ben weer een lands-man en voel teeder mijn woning zacht leven om mij, met de platen en 't open klavier en, in vazen, de sleutelbloemen.

 Ik ben weer thuis, en in de lente van mijn land; na de ziekte; en al dat verdriet ge kent het; - en die dorre liefde: als mooie veeren in najaarswind Ge weet hoe ik ben heen-gegaan. - Deed ik goed, deed ik slecht? Ik weet het niet. Ik wil geluk­kig zijn. God moog' me helpen...

 - Jonge viooltjes zijn onder mijn venster; zij geuren.

 Ik hoorde van avond den eersten koekoek; en de merels, die voor twee dagen verhaalden en floten, hebben gezwegen; dan blijft het mooi weer. - Ik ga zien wat ze met mijne aardappels willen doen. Vaarwel.’ 

 ps. Johan Velter vult aan: 'Er waren in werkelijkheid twee ‘latemse groepen’: de eerste groep rond 1900 bestond uit figuren als gustave van de woestijne, georges minne, albijn van den abeele. de expressionisten vormden later de tweede groep, met o.a. permeke, frits van den berghe en gustave de smet. karel van  de woestijne heeft ook over die 2de groep geschreven maar was toch eigenlijk meer verbonden met de eerste, de symbolisten.' Dank!