In kleur. Wat maakt dat uit? Heel veel. Het wordt aanraakbaar, voelbaar. Roken, ook pijpjes zolang je kan. Bajonetten op je geweren zetten en dan trenches uit, de dood in. Aan flarden geschoten worden.
Veel hospikken zijn er niet. Soms wordt iemand ondersteund door kameraden met een half hoofd naar een EHBO-tent gezeuld. Duitse jongens worden uit de loopgraven geleid, heel vriendelijk. Gedeeld lot leidt tot kameraadschap. Ze wisselen petten. Levende mensen. Het is de kleur die honderd jaar later zegt dat het echt is.
Dat het ondraaglijke pijn doet. Celine beschrijft de kolonel die nog net een bevel kan geven voor hij in flarden vliegt. Weg kolonel.
De tanks in actie over de loopgraven zijn verbazend, Maar het zijn de gezichten, hier en daar geanimeerd, die het doen. De starre grijns van de dood ligt er al op. Ze kijken je aan. Een enkeling houdt zich nog flink voor hij de loopgraaf uit moet. Starre shellshock blikken naar de camera, die vastlegt wat straks dood zal zijn.
Wat hou je eraan over? Voorbij het leven bestaat iets als dit. Ik dacht aan de Duitse troepen die op het eind van WOII niet te verslaan waren. Ze bleven vechten, ze hadden alleen nog hun kameraden. Die het begrepen.