Journey to the shore, nogeens

 'Als pa gaat mag ik hè,' zei mijn broer. We hadden juist mijn moeder begraven. Ik had wat gezegd. Over haar manier van geruststel­len. Dat kon ze goed. En wat heeft een kind meer nodig.

 Mijn broer heeft nog meer last gehad van die vader dan ik. In Delft studeren mocht niet, al had hij dat goed gekund. Mijn vader keek neer op bètavakken. Wat hij niet begreep was onbelangrijk. In de laatste jaren paste mijn broer op zijn geld en werd steeds beschuldigd van malver­saties. Hij heeft de verdachtmakingen nog een jaar uitgehouden. Het zat hem hoog.

 Toen we tenslotte in de aula zaten bestond het publiek vooral uit verre familie en generaals. Dat laatste omdat mijn vader burgerdocent aan de militaire academie was geweest. Daar voelde hij zich thuis. Generaals, pet op de knieën, het haar aan de achterkant wat ingedeukt door de petrand. Mijn broer sprak tot de kist.

 'Mijn vader was geen gemakkelijk mens,' zei hij.

 De generaals gingen wat verzitten. Er klonk een kuchje. Hij had me z'n speech tevoren laten lezen. Er zat veel van z'n therapie in. Een goede speech, kritisch maar berustend. De generaals verdwenen achteraf zwijgend. Wat wil je? Ze hadden de overledene gekend als een goedlachse kerel die een borrel schonk in z'n erker.

 Ik kom hierop door de film Journey to the shore, die in m'n hoofd bleef spoken. Over de reis naar de grens van het hier­namaals. Over de fase tussen de dood en het definitieve afsch­eid, waarin de doden kunnen terugkeren om nog iets af te maken. Of nog levenden kunnen proberen ze terug te roepen. Over de omgang tussen levenden en gestorvenen, tussen wie iets onaf is geble­ven.

 Het is in onze jaren gewoonte wil­lekeurig welk overleden familielid aan te duiden als 'een dierbare'.

 Van mijn vader werd niets meer vernomen.