Sluipgeer

 De bundel van de Duitser Jan Wagner (1971) brengt me naar al waar ik tussen verkeerde op het dorp of in donkere achter­tuinen waar nooit iemand kwam.Een regenton heb ik gekend. Achter het huis. Er steentjes in laten vallen om de druppelspiegelingen. De hemel met een deksel erop. Een s­piegel met verre, onbestemde geur. Oud water, waarin je vol­gens Wagner de onderwereld kunt zien. Een paar strofen naar mijn keus uit het titelged­icht, vertaald door Ria van Hengel. 

*

licht ik het deksel,

kijk ik in het enorme oog van de merel.

*

klokte slechts even

als je hem kwaad een trap gaf,

gaf echter niets prijs.

*

alsof de hades

via hem bovenkwam om ons af te luisteren.

*

oud als de tuin en

met de geur van een bosmeer.

stond daar, een vat styx

*

licht ik het deksel,

deins ik terug. het lied van

de merel donkert.

(...)

 

 Maar alles overtreft het openingsgedicht over de sluipgeer (zevenblad), dat zo begint:

'niet te onderschatten: de sluipgeer, met de begeerte al in de naam, daarom

de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis

als een tirannendroom.'

(...)