maandag 21 maart 2016 - 16:37
De bundel van de Duitser Jan Wagner (1971) brengt me naar al waar ik tussen verkeerde op het dorp of in donkere achtertuinen waar nooit iemand kwam.Een regenton heb ik gekend. Achter het huis. Er steentjes in laten vallen om de druppelspiegelingen. De hemel met een deksel erop. Een spiegel met verre, onbestemde geur. Oud water, waarin je volgens Wagner de onderwereld kunt zien. Een paar strofen naar mijn keus uit het titelgedicht, vertaald door Ria van Hengel.
*
licht ik het deksel,
kijk ik in het enorme oog van de merel.
*
klokte slechts even
als je hem kwaad een trap gaf,
gaf echter niets prijs.
*
alsof de hades
via hem bovenkwam om ons af te luisteren.
*
oud als de tuin en
met de geur van een bosmeer.
stond daar, een vat styx
*
licht ik het deksel,
deins ik terug. het lied van
de merel donkert.
(...)
Maar alles overtreft het openingsgedicht over de sluipgeer (zevenblad), dat zo begint:
'niet te onderschatten: de sluipgeer, met de begeerte al in de naam, daarom
de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis
als een tirannendroom.'
(...)