'het was zo plotseling stil dat ik de taart/ kon horen groeien,/ het rozijnendeeg in onze keuken en in alle keukens/ overal ter wereld, het getiktak
van de klok, en verder geen geluid -/ behalve een vibrerend en licht trillend/ klein zwart puntje op het raam, een vlieg/ actief met zijn alarmbel van chitine.
in de kelder niemand, slechts de schemer van volle planken, koele inmaakpotten/ van kleurig glas, leeg de kinderkamers,/ salon, wc, en in de rommelschuur
een geest van heel oud gras, ik sloot de poort,/ passeerde schuttingen, warm door de zon,/ verdubbeld door de geur, ik liep het dorp uit,/ langs velden, weiden, meren, door een bos,
tot ik tenslotte bij die rode boom kwam (met aan mijn handen nog het meel)/ die oprees uit het gras zoals een droom/ rijst uit een slapende, een taj mahal
van blad en winden, vlammende pagode,/ een stralen, en toen plotseling een helder/ geschater boven mij, het volgepakte/ takwerk toen ik omhoogkeek, en daar zaten ze alemaal’
uit: Regentonvariaties, vertaald door Ria van Hengel