de bloedbeuk

 Niet over de dingen van vandaag. Zo iets dringend nodig is dan iets anders. Jan Wagner voor Ursula Peters over wat ik ken als de rode beuk, bij hem de bloedbeuk.

 'het was zo plotseling stil dat ik de taart/ kon horen groeien,/ het rozijnendeeg in onze keuken en in alle keukens/ overal ter wereld, het getiktak

 van de klok, en verder geen geluid -/ behalve een vibrerend en licht trillend/ klein zwart puntje op het raam, een vlieg/ actief met zijn alarmbel van chitine.

 in de kelder niemand, slechts de schemer van volle planken, koele inmaakpotten/ van kleurig glas, leeg de kinderkamers,/ salon, wc, en in de rommelschuur

 een geest van heel oud gras, ik sloot de poort,/ passeerde schuttingen, warm door de zon,/ verdubbeld door de geur, ik liep het dorp uit,/ langs velden, weiden, meren, door een bos,

 tot ik tenslotte bij die rode boom kwam (met aan mijn handen nog het meel)/ die oprees uit het gras zoals een droom/ rijst uit een slapende, een taj mahal

 van blad en winden, vlammende pagode,/ een stralen, en toen plotseling een helder/ geschater boven mij, het volgepakte/ takwerk toen ik omhoogkeek, en daar zaten ze alemaal’

 

uit: Regentonvariaties, vertaald door Ria van Hengel

Tags: 

Sluipgeer

 De bundel van de Duitser Jan Wagner (1971) brengt me naar al waar ik tussen verkeerde op het dorp of in donkere achter­tuinen waar nooit iemand kwam.Een regenton heb ik gekend. Achter het huis. Er steentjes in laten vallen om de druppelspiegelingen. De hemel met een deksel erop. Een s­piegel met verre, onbestemde geur. Oud water, waarin je vol­gens Wagner de onderwereld kunt zien. Een paar strofen naar mijn keus uit het titelged­icht, vertaald door Ria van Hengel. 

*

licht ik het deksel,

kijk ik in het enorme oog van de merel.

*

klokte slechts even

als je hem kwaad een trap gaf,

gaf echter niets prijs.

*

alsof de hades

via hem bovenkwam om ons af te luisteren.

*

oud als de tuin en

met de geur van een bosmeer.

stond daar, een vat styx

*

licht ik het deksel,

deins ik terug. het lied van

de merel donkert.

(...)

 

 Maar alles overtreft het openingsgedicht over de sluipgeer (zevenblad), dat zo begint:

'niet te onderschatten: de sluipgeer, met de begeerte al in de naam, daarom

de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis

als een tirannendroom.'

(...)