mijn hoop: een paar stevige stormen, en zie.. 
't Stille strand, totaan Hoek van Holland, niets meer te zien
daar, onder water ligt golfbreker nummer 36

Delflandse hoofden (2)

 Vandaag op het Haagse Stille strand. Dat ik maar zo blijf noemen. Om te kijken naar wat niet meer te zien is. Maar je weet dat ’t er is.

 Dit stuk strand wordt zelfs aangemerkt als een van de plekken waar de Delflandse hoofden hun kop weer kunnen opsteken. Want ze liggen er nog, onder het opgespoten zand.
Een paar stormen en we zullen zien.
En zo stond ik op de plek van nummer 36 (van de 47, genummerd vanuit Hoek van Holland). Het waarschuwingsbord met de geheven armpjes is blijven staan.
Daar dus.
Denk niet dat het veiliger is geworden voor zwemmers. Muien kunnen nu overal voorkomen. Kom je terecht in zo'n 'trek vanuit zee' ga niet vechten, laat je meedrijven de zee in dan kom je met 'n bocht weer verderop op het strand.

 Geen vogels vandaag. Ze zaten altijd op de golfbrekers. Hier zag ik de kraaien, later ook kauwen, hun maaltje seafood oppikken. Iets wat ze dertig jaar geleden nog niet deden. Vredig naast de meeuwen, terwijl kraaien toch geen vette veren hebben en niet nat mogen worden. Grappig ze golven te zien ontwijken.
Dieren hebben cultuur, leer ik van Frans de Waal. Ze geven kennis door. Speciaal omnivoren als kraaien die van vele markten thuis zijn.
 Waar zijn ze? Ze missen de zeskantige basaltkeien waartussen het voedsel na elke golf zo lekker achterbleef.
Voorbij. Ze zijn terug naar de stad om restjes patat met.
 

Tags: 
uit de herziene versie van na 1971
uit: het Zwarte Goud zoals uitgegeven tot 1971

Kuifje in Israël

 Kuifje en het Zwarte Goud werd door Hergé begonnen in 1938, maar hij stopte met de tijdschriftversie na de Duitse bezetting van België.

 Het dreigde een te politiek verhaal te worden voor de Duitse censuur.
In 1948 begon hij aan een nieuwe versie, in kleur. De onsympathiek ogende joodse terrorist Finkelstein kreeg een vriendelijk gezicht en heette nu Goldstein.
Oorspronkelijk - in de boekversie van 1950 komt Kuifje aan in Haifa, dan gelegen in het Palestina onder Brits mandaat.
Hij wordt gearresteerd door de Engelsen maar ontvoerd door Joodse verzetsstrijders die hem voor een zionistische agent houden. Daarna wordt hij gekidnapped door de Arabieren.
In deze vorm werd het - voor jonge lezers steeds onbegrijpelijker wordende verhaal vele malen herdrukt.
Na de zesdaagse oorlog in 1967 viel het helemaal niet meer te rijmen met de nieuwe staatkundige situatie. Bovendien kwam er kritiek op de manier waarop de joden én de Engelsen werden afgebeeld.

 Hergé heeft in 1971 het verhaal - onder druk van zijn Engelse uitgever - gemoderniseerd en ontdaan van verwijzingen naar de situatie van voor 1948, de Engelse aanwezigheid en de terroristische strijd om de stichting van de staat Israël.
Hij deed dat heel radicaal. De handeling werd verplaatst van Palestina naar de fictieve Arabische staat Khemed. De Engelse politiemannen veranderden in 'Arabieren'.
De Engelsen, de totstandkoming van de staat Israël en het Joodse terrorisme - inclusief Goldstein - verdwenen compleet uit het verhaal. Maar Jansen en Jansens, met hun jeep verdwaald in de woestijn, dat bleef. Net als hun duik - in gestreept badpak - in het oasemeertje dat een fata morgana blijkt.

Tags: 
Gaza-aan-Zee
sabotage van de brug bij Yarmuk in 1946
in z'n glorietijd

De Palestijnse Spoorweg

Woensdag as. is m'n avondvullend gesprek met Frans Thomése te horen over z'n boek Grillroom Jeruzalem. Het opende onverwachte perspectieven. Zo kreeg Gaza er een ander gezicht bij.

De oude stad Gaza - nu een reusachtig gevangenenkamp - was voor de Tweede Wereldoorlog - nog een mondaine badplaats, die je per trein kon bereiken. Voor de Tweede wereldoorlog liep er namelijk een spoorlijn van het Suez-kanaal tot Haifa langs de Middellandse Zeekust, met vele vertakkingen landinwaarts, tot in Syrië. Wagons-Lits zorgde voor eet- en slaapwagens sinds 1923. Bij Thomése lees ik dat de huidige bewoners van Gaza niet kunnen gaan zwemmen. De kuststrook is door Israel tot verboden gebied verklaard. Op wat eens de boulevard was is alles vernield, uitgebrand, dichtgetimmerd. 

Tussen de wereldoorlogen was 'Palestina' (ruim genomen het Israel van nu) een Engels mandaatgebied. Zionistische terroristen saboteerden onder meer deze spoorweg. In de 'Night of the bridges' in 1946 bliezen ze wel elf spoorbruggen op, waardoor Palestina van de omliggende landen werd afgesneden. Van de spoorweg zijn maar wat stukjes en beetjes over. Verdwaalde stukjes rails.

Ik bezit twee edities van 'Kuifje en het Zwarte Goud', dat zich in het gebied afspeelt. In de oude zijn Joden de terroristen en de Engelsen de ordehandhavers. Hergé hertekende het verhaal na de oorlog. Het scenario bleef zowat identiek, alleen is de actie verplaatst naar een fictief Arabisch land. Morgen plaatjes uit beide edities.
 

'UItzicht is een afstand/ die zich omkeert'

Bernke Klein Zandvoort (1)

Een passage uit het geïllustreerde essay waarmee ze gisteren afstudeerde aan de Rietveld Academie. Haar gedichten stonden in de Revisor, er komt een bundel bij Querido.

‘(…) Je staat te wachten voor een openstaande brug. Gewoonlijk is de brug een drager. De dag vindt plaats. Haar aanwezigheid is een ontwijkende, ze hoort niet te worden opgemerkt. Op het moment dat er een schip ligt te wachten verandert deze situatie. Alle aanloop rond de brug valt stil. Motoren slaan af, het wegdek maakt zich los en verheft zich tegen de lucht. Achter wat beweegt - het knipperende oranje licht, de mast van het schip dat door de opening vaart - torent de brug als groot zwart oppervlak overal boven uit.
Is het schip voorbij, dan zakt het wegdek weer langzaam naar beneden. Z'n schaduw rekt zich uit, de neerkomende brug valt over je heen, totdat hij aansluit bij de horizontale lijn. De voorgrond is terug naar de achtergrond, het obstakel is weer drager. De dag gaat door.  (…)’

Een opklapbrug opent zich, een schip vaart door, de brug sluit zich. De zin over de dag lijkt me de sleutel: 'Haar aanwezigheid is een ontwijkende, ze hoort niet te worden opgemerkt.'
Maar toch. De werkelijkheid is uiteengenomen, bekeken en weer in elkaar gezet. Waarna hij je opeens vriendelijker aankijkt.
 

man gaat op in supermarkt
een in de achtergrond weggeschilderde Liu

Liu Bolin

Liu is een verdwijnkunstenaar. Hij doet dat door kameleontisch op te gaan in de omgeving.

Voor een Chinees die in Peking woonde een prachtige paradox.
Zoals ik pas nog van het Rotterdamse Exactitudes-duo leerde
wil ieder zich tegelijk onderscheiden én ergens bij horen.
Chinees zijn in Peking en je tegelijk onderscheiden lijkt onmogelijk.
Wat Liu Bolin doet is de uiterste consequentie, de meestertruc: zich onderscheiden, juist door op te gaan in het geheel. Aanpassing als rebellie.
Hij wist, zegt hij, dat hij niet paste in de Chinese samenleving. 'En ik wilde in stilte protesteren tegen de vervolging van kunstenaars. Door te laten zien in wat voor maatschappij wij leven.'
Liu had het moeilijk in Peking, in 2005 werd zijn atelier gesloten. Zijn nieuwe New Yorkse tentoonstelling heet 'De onzichtbare man'.
'Mijn klus is steeds weer een achtergrond vinden die geschikt is om in te verdwijnen. En dan stil blijven staan tot die achtergrond over mij heen is geschilderd.'
 

uit de Bacchus-serie (2005)
mythological

I.M. Cy Twombly (1928-2011)

De dood van Cy Twombly brengt me op het raadsel van het handschrift. Ik heb er namelijk geen.En het zijne is iets als een alter ego voor een schrijver.

Een dier, nu eens speels, dan weer ernstig rondsnuffelend, dat ie losjes aan de lijn houdt, maar dat zo met z'n baas vertrouwd is dat ze een twee-eenheid vormen.

Zoals mij door paspoortinstanties altijd weer gevraagd wordt m'n handtekening nogeens te zetten - omdat ik onmogelijk twee dezelfde neer krijg - zo is Cy Twombly onmiskenbaar in twee haaltjes.

Vaak wordt de lijnvoering van een kunstenaar 'handschrift' genoemd. Er zijn er veel die niet of weinig over zoiets beschikken. Van wie je de lijnen 'artistiek' kunt noemen - er zijn nogal wat soorten artistiek - maar niet eigen.
Cy Twombly's handschrift is zijn handschrift. En dat is het.
 

Leersum, 1942

Hoeden (2)

Het gaat nu even om de hoed van mijn grootmoeder van vaderskant. Die uit Zeeland vandaan kwam en een van de zes dochters van de burgemeester van het dorp Schore was.

Ze moest en zou een dame worden, in Den Haag.
Dat gebeurde, ze trouwde mijn grootvader, leraar Duits, hier met cilinder, en woonde op stand aan de Frankenslag.
Je ziet haar hier in vol ornaat bij het huwelijk van mijn ouders in Leersum, in 1942.
De hoed met voile, de vos om de hals, de witte schoenen. De haar aangapende dorpskinderen. Ze genoot. Ze steekt de bruid naar de kroon.
Voor het eerst bekijk ik deze foto precies, ik leef op gespannen voet met het verleden.

Ze stierf op haar 62ste. Verwaarloosde het huishouden.
De roodfluwelen gordijnen hingen er aan rafels bij.
Op de vraag waarom ze er niks aan deed antwoordde ze 'het is de moeite niet meer'.
 

de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981)
Alfred Schaffer

Tirade

Bedreigd worden ze, de literaire tijdschriften. Tirade overbrugt de tijd tussen de nummers met amusante blogs op de website.

Laatstelijk door Alfred Schaffer, die terug is naar Zuid-Afrika en daar weer doceert aan de universiteit van Stellenbosch, net als in de tijd dat ik hem wekelijks aan de lijn kreeg als correspondent van de Avonden:

(...) 'Volgens mij zijn de examens redelijk gegaan. Het laatste examenonderdeel betrof drie vragen bij een gedicht. Bij het uitstelexamen ging het om 'Tweede man' van Nachoem Wijnberg, bij het reguliere examen om Paul Snoeks 'Een zwemmer is een ruiter'. 
Waarom zou de dichter in de titel een vergelijking maken tussen "zwemmen" en "paardrijden"?' luidde de derde en laatste vraag. 
"Iemand wat perdry is mal oor perde, soos die swemmer mal is oor swem." Schreef iemand, waarschijnlijk in tijdnood gekomen. Geen speld tussen te krijgen. Een zwemmer is een ruiter:

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water, 
is liefhebben met elke nog bruikbare porie, 
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers, 
is met armen en benen aloude geheimen vertellen 
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van water. 
Want in het water adem ik water 
word ik een schepper die zijn schepping omhelst, 
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn 
en toch nog eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn. 
 

Liu Ye - zonder titel (1997)
Wei Dong - Meisje met schaap (2007)

Liu Ye en Wei Dong

Zag Chinezen in Den Haag en in Laren. Die in Groningen moet ik nog zien.

Wat zie je in kunst terug van dertig jaar hervormingen en 'opendeurpolitiek'? Hoe verwestert China? Je ziet ze worstelen met het Chinese verleden, smartelijk maar ook ironisch.
Bedenk dat tot het eind van de culturele revolutie in 1976 kunst propaganda moest zijn.
Wat als er opeens een vrijheid is, al blijft de opdracht 'het volk onderwijzen'?
Wat kwam er van 'cynisch realisme' en 'political popart'?
En hoe Chinees is dat?

Ik trof in Singer Wei Dong (1968), die met zijn Meisje met schaap de culturele revolutie in het belachelijke trekt, het meisje á la Vermeer neerzet en suggereert dat ze 'n schaap is en Liu Ye (1964) met z'n Mondriaan-obsessie, die nog aan de Rijksacademie studeerde.
Twee schilders die hun kennis van de Westerse kunst, hun academische scholing en hun pop-achtige ironie gebruiken om de verschrikkingen van het Chinese verleden de baas te worden.
 

Sartre - suikergoed? 
Voltaire - hersenspinsels?

Eveline van Duyl

 Hij moest een keer komen. De filosofenweerzin. De hekel aan beweerders die zich te mooi achten voor bewijzen. Omdat ze alles zo wel weten. Begin tegen mij over 'de mens', en ik zeg dat ik dringend naar de wc moet.

 Iets van die weerzin, vermengd met een niet te stoppen giechelbui heeft hilarisch vorm gekregen in de veertien filosofenportretten, genoemd 'Denkeilanden', van Eveline van Duyl die ik zag in Beelden aan Zee in Scheveningen.
Haar borstbeelden zijn gemaakt uit per filosoof passende stoffen. Zo krijgt Wittgenstein om zijn halsstarrigheid een eikenhouten kop en om zijn leerstelligheid een ruitjesbloes. Heidegger een gezicht van gevouwen lood. En Sartres kop bestaat zo te zien uit snoepgoed. Voltaire is gemaakt uit dakbedekking en klosjes garen.  

 De borstbeelden staan allemaal - heel verheven - op een strijkplank. De strijkplanken staan ook voor de eindeloze herhaling van hun gedachten.
En ze lijken, sprekend. Dat ook nog. 
Het publiek amuseert zich bijzonder en verstuurt fotootjes.

Tags: 

Pagina's