thuis...

Kreek Daey Ouwens (3)

Uit 'De achterkant':

Ik mag de hoogleraar erg graag. Maar hij moest niet zo
nieuwsgierig zijn. Dat ik de hele dag door denk - dat ik soms,omdat ik weet dat niemand kijkt, mijn hand over het houten tafelblad laat glijden om iets te voelen - dat hoeft hij niet te weten. Hij blijft staan. Ik vraag hem niet te gaan zitten. Ik bied hem geen drankje aan. Uit zijn jaszak haalt hij een kaartje.'Ik heb hier een adres van iemand met wie U eens zou moeten praten,' zegt hij.

Ik praat niet. Ik loop. Ik besluit naar het café te gaan. Maar al snel wil ik weer naar huis. Ik loop over de stoep. Opeens is het wandelen bitter. Ik heb zojuist meegemaakt hoe je werd afgeschreven - de leegte die erop volgt. Ik heb spijt dat ik het
kaartje heb aangenomen. Ik stap van de stoep. Van de stoep op de weg. Daarna weer op de stoep.

Een lichtpunt. Mahler, 'Oft denk ich Sie sind nur ausgegangen.'
 

Kreek Daey Ouwens
Beluister fragment

Kreek Daey Ouwens (2)

'Wat mooi is blijft altijd bestaan,' daarover waren Kreek Daey Ouwens en ik het vanmiddag eens. Donderdag is ze te horen in de Avonden over haar bundel 'De achterkant'.

 Wie dood is verdwijnt, tegelijk blijft hij of zij onmiskenbaar bestaan. We kunnen het niet rijmen.
Zo gaan we met de doden om, halfhartig.
'Praat je met hem,' vroeg ik Kreek. 'Ja,' zei ze, 'gek genoeg nu veel meer dan toen hij nog leefde.'
In andere culturen dan de onze is leven met de doden vaak gewoon. Arjan Peters schreef zaterdag in de Volkskrant over de verzameling nagelaten stukken 'Campo Santo' van W.G.Sebald, die nu ook vertaald is (weer door Ria van Hengel). Daarin beschrijft hij de dodencultuur op Corsica. Sebald, hoeder van de doden. 

 Aan de overkant van de Tyrrheense zee, in de Italiaanse Cinque Terre beklom ik eens vanuit een kustdorp, een vissershaventje, een steil bergpad, duizelingwekkend hoog boven zee.
Het werd een trap. Het vreemde was, langs de trap waren kabels gespannen, langs katrollen. Het leek een primitief kabelbaantje. Waar zou deze goederenlift heen gaan? Wie woonde daar? Boven gekomen zag ik een klein kerkhof. Begrijpelijk, elk stukje vlakke grond werd hier benut. En toen, het eindstation van het kabelbaantje.
Het was een lift voor doodskisten. Met de hand te bedienen. 
Heel praktisch, hoe zou je ze anders vanuit dorp omhoog moeten krijgen.
 

het omslag, de man, de vrouw. de tekening is van Johan Kuipers,

Kreek Daey Ouwens (1)

 De schijngestalten van de dood, zo kun je misschien omschrijven waar de bundel 'De achterkant' van Kreek Daey Ouwens over gaat.

 Haar geliefde stierf, ze schreef. Het werden stukjes, halverwege proza en gedichten. Over hoe de dood, het sterven van jongsaf haar leven binnenkwam en werd opgevat.
Een kaleidoscopisch boek.
Natuurlijk, onze doden verdwijnen, en even natuurlijk, ze leven. Een scherfje uit de kaleidoskoop:

 'Zul je nog van me houden, als ik je weer zal zien?
Evenveel als het aantal kersen in de mand, die ik voor je deur
heb neergezet? Laat ze niet te lang liggen, lief, dan pikken de mussen ze weg!'

Morgen ga ik bij haar op bezoek. En, nb. 'De achterkant' is genomineerd voor de VSB-prijs.
 

het locomotiefje

Moderne kunst

Wat ik nog meekreeg uit Kampen, uit het atelier van Arthur Slenk, dit locomotiefje.

Het locomotiefje is een oud LIPS-slot waar hij vier wieltjes onder gemonteerd heeft.
Zou iemand ooit eerder gezien hebben dat een LIPS-slot een locomotiefje kan zijn?
Het slot brengt me bij wat ik al jong hoorde noemen het
'er iets in zien'. Ze zeiden het in de naoorlogse jaren over moderne kunst.
Wat moest je nu met abstracte composities die niets voorstelden, geen afbeelding waren van wat ook, niks dan een spel van lijnen en vlakken?
Voor de beginners was er altijd deze troostprijs: je kon er van alles in zien. Dat mocht. Dat was toegestaan. 

 

generaties kruisjes uit de orkestpartituur (détail)

Arthur Slenk (3)

 Van jongsaf heeft hij geknipt en geplakt. Er kwam wel eens wat tussen, de HBS of de militaire dienst, maar daarna begon hij meteen weer.

 In 1946, op zijn vijfde al, plakte hij met Gluton, lijm op waterbasis. De kleverigheid trok hem. Nu zitten de Stanleymesjes waarmee hij snijdt onder een dikke korst aangekoekte Bison houtlijm. Dun papier altijd aan twee kanten plakken, dan blijft het strak.
Een manier van leven: oprapen, knippen, plakken. Aangekoekte affiches die moeten worden losgeweekt in het bad van een Parijse hotelkamer. Niet om ze te redden. Er gaat iets ontstaan. 
Het verleden wordt versneden tot bergen papiertjes en opgeborgen in weckflessen. Dan komt het uitstorten en sorteren, in enveloppen.
Nog weet Arthur Slenk niet waar het heen gaat. Dan ontstaat er iets, uit vlekken, patronen, motieven, herhaling.
Let wel, na het lijmen blijven aandrukken met de nagel.
Tot hij pijn krijgt in altijd diezelfde nagel.
 

Tags: 
'Seven brides for seven brothers' (1997), vernoemd naar een brave musical-verffilming uit 1954

Cecily Brown (3)

Vanavond kon ik in de Avonden nog iets zeggen over de tentoonstelling in het Haagse GEM van de nu 41 jaar oude Engelse, die al jaren in New York werkt.

Jammer eigenlijk dat haar picturale voorgeschiedenis hier niet hangt. Want die speelt mee in haar jongste werk.
Cecily Brown begon met het schilderen van seks. Eerst in de vorm van neukende konijnen, daarna mannen en vrouwen. Olieverf, zegt ze suggereert zo makkelijk lichaamsvocht en vlees. Haar held Willem de Kooning zei: 'Vlees is de reden dat olieverf werd uitgevonden...'.
Ze kent de klassieken van het voluptueuze schilderen: Kokoschka, Rubens, Tintoretto. Terwijl ze haar onderwerp tegelijk ironiseert
met titels van jaren '50-films als 'The pyama game' (Doris Day) of 'The fugitive kind' (Marlon Brando). Maar de laatste jaren gingende neukende paren op in totaalbeelden. Ze zijn er nog, maar waar ze zich in deze groot formaat zoekplaatjes ophouden moet de kijker  zelf uit vissen.
Zodat Brown tenslotte bij het kijken zelf aankwam. Bij voyeurisme ook, en waartoe ik kan worden verleid. Want, it's all in the eye of the beholder.

 

Partituur: collage van scheurtjes in pagina's
Slenk vanmiddag in zijn Kampense atelier

Arthur Slenk (2)

Bij Arthur Slenk in het atelier bogen we ons vanmiddag over de originelen van zijn boek Partituur. Iets anders dan de toch al zo mooie gedrukte versie.

Ik hoorde hoe Slenk, die een begaafd tekenaar is, de schaar verkoos boven de pen. 'De schaar IS mijn pen,' verklaarde hij nadrukkelijk. Als ik meen iets als een 'schaarvoering' te kunnen aanwijzen in sommige lijnen zegt hij lachend dat het niet de bedoeling is. 
Ik zag hoe al die papierlaagjes zich boven elkaar verheffen, tegen elkaar aan liggen. Het zijn ook sculpturen, of beter reliëfs. 
Betekent het verknippen van afgedankte partituren tot beeldende kunst ook het tot stilstand brengen van een spelend orkest? Het is mooier. Slenk maakt er nieuwe muziek van, geïmproviseerde beeldmuziek.
Dan buigen we ons over pagina's waarin het langjarig gebruik van de partituren aan het licht komt. We zien scheurtjes, slijtage, en ja, de paginahoeken waar generaties muzikantenvingers de bladen van hun partituur hebben omgeslagen. Morgen verder.

 

uir: Partituur
uit: E, de kunst van het weglaten..

Arthur Slenk (1)

Morgen zal ik - als de mist het toelaat - op bezoek gaan in het Kampense atelier van Arthur Slenk.

Deze zomer zag ik z'n werk in het Apeldoornse Coda Museum, Wim Brands sprak met hem in de Avonden. De collages van Arthur Slenk voeren je mee naar een wereld van zachte precisie.
Eerst wordt materiaal verzameld, dat kunnen zakken vol violette of rode snippers zijn, of uitgeknipte hoofdletters E. Daarna, soms pas na jaren leidt dat tot knippen en plakken. Morgen wil ik daar het fijne van vragen. Hoe bijvoorbeeld plakt Slenk? En met welk plaksel? 
De neus er bovenop
Zijn boekje 'E, de kunst van het weglaten' drukt zonder woorden de bezorgdheid van de kunstenaar uit over de huidige economie. Het werd gesneden en geplakt louter uit de hoofdletter E die jarenlang het beeldmerk was van het Economie-katern van NRC-Handelsblad. Die letters E gaan alle perken te buiten. De stukken vliegen er letterlijk af. 
De collage 'Partituur' is ontstaan uit het gevonden muziekpapier van een amateur-orkest, gebruikt in de jaren 1872-1940.
Slenk demonteerde de partijen, inclusief de sporen van gebruik, de slijtage. En stelde knippend en plakkend de partituur samen van een heel nieuw en alleen inwendig hoorbaar muziekstuk.
 

Ira Glass

Radio (2)

K.Michel stuurt me een stuk uit de New York Review of Books over niet-commerciële radio in de Verenigde Staten.

Het geld komt daar van giften van luisteraars, de federale overheid draagt nog maar tien procent bij. En gek genoeg, vrijwel zonder geld, bloeit intelligente publieke radio de laatste jaren volop. Naast de ultra rechtse talkradio van figuren als Rush Limbaugh - 14 miljoen luisteraars - halen publieke nieuwsprogramma's wel 13 miljoen. Radio geldt als betrouwbaarste nieuwsbron.
Maar wat daarnaast nieuwe radiovormen aantrekkelijk maakt is verteltalent, eigenheid en kennis van zaken. 
Men kiest daarvoor. Als je het stuk - van kenner Bill McKibben - goed leest is de bloei te danken aan het optreden van persoonlijkheden als Ira Glass - van This American life - en zijn navolgers.

Waarom kan dat in Nederland niet?
Hier mikt alle radio, publiek en commercieel - behalve soms op Radio 1 en in verre uithoeken als radio 6 en 's avonds 5 - nog steeds op het grootst mogelijke publiek. Een klein, aandachtig publiek vinden de commerciëlen en de publieken eendrachtig niet interessant.
Is Nederland te klein voor intelligente radio? Is Nederland te klein voor intelligentie?  
 

regisseur 'Joe'
de overleden echtgenote - eerst nog als schim - zit aan tafel

Uncle Boonmee

Hoe ga je om met de gestorvenen? Ik heb het altijd verkeerd gedaan. Ze zullen – zeker in de eerste tijd na hun dood – kwaad op me geweest zijn omdat ik ze veronachtzaamde.

Een film waar ik om die zelfde reden niet heen ging heet Uncle Boonmee, gemaakt door de onuitsprekelijke Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul die zich (daarom) Joe noemt.
Wanneer je spoedig zult sterven komen de geesten. Ze zitten bij je aan tafel. De zieke Oom Boonmee vraagt zijn al 19 jaar dode vrouw waar hij haar straks moet zoeken.
'Niet in de hemel,' zegt ze 'daar is eigenlijk niks.'
'Maar waar dan?'
Haar antwoord is schokkend.
Toen ik het hoorde wist ik ook meteen 'ja, zo is het natuurlijk'.
Het luidt 'bij de levenden'. Dat wil zeggen, de levenden die ze gekend hebben.
Zo krijgt je leven een onvermoede zin. Je treedt op voor de doden. Gelukkig leert de film dat ze je aandachtig en zonder verwijten gadeslaan. Het zal wennen zijn aan hun gezelschap. Maar, bij vlagen kwam ik ze eigenlijk al tegen. En door Uncle Boonmee weet ik dat deze oplossing beter bij me past dan de onze. 
 

Pagina's